Wat is jungiaanse psychoanalyse?

Carl Gustav Jung

Jungiaanse of analytische psychologie is de naam van het psychologisch-therapeutisch systeem dat werd ontwikkeld door de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung (1875-1961). Voor Jung was de psyche, de innerlijke wereld van de mens, even boeiend en uitgebreid als de uiterlijke wereld waarin we leven. Begrippen als archetype, Schaduw, collectief onbewuste, synchroniciteit, en Anima en Animus maken nu deel uit van de culturele bagage van de ontwikkelde westerling, en zijn variant van de dieptepsychologie kent ook in onze tijd nog veel aanhangers. Het belangrijkste doel van jungiaanse therapie is Individuatie door de integratie van het Ik en de Schaduw.

Carl Gustav Jung

De Zwitserse psycholoog en therapeut Carl Gustav Jung (1867-1961) was aanvankelijk de meest beloftevolle leerling van Sigmund Freud, die in hem zijn ‘troonopvolger’ zag voor het verspreiden van de psychoanalyse. Jung verzette zich echter tegen de te materialistische theorie van zijn leermeester voor wie alle geestesziekten terug te voeren waren op verdrongen lustgevoelens. De eerste barst in hun hechte relatie kwam toen Jung tijdens een lezing in de Verenigde Staten openlijk Freuds theorie van het Oedipuscomplex bekritiseerde. Jung zou zijn eigen weg gaan. De analytische psychologie, zoals hij ze zelf noemde, begon op een aantal punten sterk af te wijken van Freuds psychoanalyse.

Wat Freud en Jung gemeen hadden

Sigmund Freud

Jung en Freud waren het erover eens dat er naast het rationele, bewuste aspect van de persoonlijkheid nog een groot deel van de psyche bestaat waarvan de persoon zich niet bewust is: het onbewuste. Als snel raakten ze het er echter niet over eens wat de inhoud van dit onbewuste was. Freud stelde dat het onbewuste was samengesteld uit onderdrukte, traumatische ervaringen uit de kindertijd. Het had een direct verband met de zuiver instinctieve behoeften van de mens die in conflict kwamen met de eisen en verwachtingen van de maatschappij. De psychoanalytische behandeling bestond aanvankelijk uit woordassociaties en was erop gericht deze onbewuste inhouden in het bewustzijn van de volwassene te brengen. Jung werd ook eerst bekend door zijn onderzoek van woordassociaties waarin de reacties van een persoon op stimuluswoorden in verband worden gebracht met onderdrukte ideeën en impulsen die het gedrag beïnvloeden. Hij beschreef reeds in 1906 een techniek waarbij handelektroden veranderingen in de weerstand van de huid maten bij het oplezen van woorden. Een woord dat een emotionele reactie teweegbracht, was een indicatie voor een complex. Hoewel hij er veel succes mee had, vond Jung dat zijn werk met de psycho-galvanometer hem niet ver genoeg bracht in zijn exploratie van het onbewuste.

Kernbegrippen van Jungs psychologie

In tegenstelling tot Freud kon Jung niet geloven dat de huidige leefsituatie van een persoon uitsluitend terug te voeren was op verdrongen jeugdinstincten. Zijn ervaringen met patiënten brachten hem ertoe om het bestaan te poneren van het collectief onbewuste en van vijf primaire functies: de archetypen als universele patronen van de ervaring.

Persoonlijk en collectief onbewuste

Freud hanteerde ook al begrippen als bewust, onbewust en verdringing. Jung maakte echter een onderscheid tussen het persoonlijk onbewuste (dat overeenkomt met Freuds onbewuste) en het collectief onbewuste. De persoonlijkheid als geheel, de “psyche”, bevat alle gedachten, gevoelens en gedragingen, bewust of onbewust. Sommige ervaringen worden echter niet tot het bewustzijn toegelaten omdat ze te verstorend zijn, of gewoon omdat ze vergeten zijn. Zij belanden in het persoonlijk onbewuste.

Het collectief onbewuste bevat instinctieve driften en gedragspatronen die we allemaal delen als mens. Het bevat het totaal aan herinneringen van onze voorouders en wordt genetisch overgedragen. Jung beschouwt dit deel van de onbewuste psyche als iets waar we door onze geest toegang tot kunnen krijgen via onze dromen. Sommige mensen, bijvoorbeeld kunstenaars, kunnen dit collectief aan primitieve beelden aanboren voor inspiratie. Het collectief onbewuste doet erg denken aan wat esoterici de Akashakroniek noemen. Jung was ongetwijfeld vertrouwd met deze van oorsprong hindoeïstische opvatting dat alle gebeurtenissen die ooit hebben plaatsgevonden, elke gedachte en emotie, voorgoed bewaard blijven in een soort etherische databank van de mensheid. Jung zag het collectief onbewuste ook als de bron van onze dromen en van paranormale of magische fenomenen. De inhouden van het collectief onbewuste noemde Jung archetypen. De vijf belangrijkste ervan zijn de Anima en Animus, de Persona, de Schaduw en het Zelf.

Anima

Een van de archetypen uit het collectief onbewuste is de Anima, de vrouwelijke zijde van de mannelijke psyche. De Anima is een knooppunt van onbewuste overtuigingen en gevoelens in de psyche van een man met betrekking tot het andere geslacht. Jung zegt hierover (geparafraseerd): “Iedere man draagt in zich het eeuwige beeld van de vrouw mee, niet het beeld van een bepaalde vrouw, maar van de vrouw als voorstelling van vrouwelijkheid. Dit beeld is fundamenteel onbewust, alsof het is gegraveerd als afdruk of ‘archetype’ met alle indrukken ooit gemaakt door de vrouw. Aangezien dit beeld onbewust is, wordt het altijd onbewust geprojecteerd op de persoon van de geliefde, en is één van de belangrijkste redenen voor een passionele liefde of afkeer.”
Kennis over de Anima kan met andere woorden slechts onrechtstreeks worden verkregen: door de projecties die mannen maken op vrouwen die al dan niet beantwoorden aan hun innerlijk beeld van de vrouw.

Animus

De pendant van de Anima bij de vrouw: de mannelijke zijde van de vrouwelijke psyche. Volgens Jung was de Animus complexer dan de anima: terwijl bij mannen de anima bestaat uit één dominant beeld, hebben vrouwen volgens hem meerdere animusbeelden.

“De natuurlijke functie van de Animus (evenals van de Anima) is het bewaren van hun positie tussen het individuele bewustzijn en het collectief onbewuste. De Animus en Anima moeten functioneren als een brug of een deur die leidt naar de beelden van het collectief onbewuste, net zoals de Persona een soort brug naar de wereld zou moeten zijn”. – Jung: Unpublished Seminar Notes. Visions I

Anima en Animus ontstonden in de psyche doordat mannen en vrouwen generaties lang met elkaar samenleefden. Door deze intense wisselwerking namen in de loop van de evolutie beide geslachten kenmerken van elkaar over.

Persona

Terwijl Anima en Animus het innerlijk aanzien van de psyche zijn, is de Persona dat wat de wereld te zien krijgt. De Persona is wat men een conformerend archetype zou kunnen noemen: een bemiddelaar tussen het individu en de gemeenschap. Zij vervult een beschermende rol door de omgeving niet te diep te laten doordringen tot de innerlijke psyche: het sociale masker maakt sociale omgang veiliger en gemakkelijker. Als we ze vergelijken met een deur, dan schermt de Persona niet alleen af, maar maakt ook de toegang mogelijk tot de buitenwereld. Een te sterke identificatie met de Persona leidt echter tot een persoonlijkheid die buiten haar grenzen treedt. Voorbeelden: de religieuze fanaat of historische figuur met een overdreven gevoel van zijn belang in de geschiedenis. Dit verschijnsel noemt Jung psychologische inflatie. Het treedt op wanneer de bewuste identiteit van een individu wordt verbonden met een archetype van het collectief onbewuste zoals “de held”, “de redder”, “de genezer” of “de wijze”. Een ervaring die veel mensen (vaak pas op middelbare leeftijd) doormaken is dat ze zich beginnen afvragen of ze wel de juiste keuzes hebben gemaakt. Hun leven lijkt plots leeg en betekenisloos te zijn. Het is een periode in iemands leven waarop wordt beseft dat ze zichzelf de hele tijd hebben voorgelogen over wie ze zijn en wat ze willen. Ze hebben zich te lang met hun persona geïdentificeerd en lieten zich leven door wat van hen werd verwacht.

“De Persona is een systeem van aanpassing van het individu of de manier waarop hij of zij omgaat met de wereld. Iedere roeping of beroep heeft zo zijn eigen karakteristieke Persona. Alleen bestaat het gevaar dat personen door te sterke identificatie hun persona’s worden: de professor identificeert zich met zijn boek, de tenor met zijn stem. Met een beetje overdrijving zou men kunnen zeggen dat de Persona dat is wat men in werkelijkheid niet is, maar wat we zelf en anderen denken dat we zijn.” – The Archetypes and the Collective Unconscious, Collected Works, Vol. 9

Schaduw

De Schaduw is de onbewuste donkere kant van je persoonlijkheid, je dierlijke instincten. Dit instinctieve en irrationele deel van het onbewuste kan worden herkend via projecties en in dromen. Schaduwprojectie verloopt geheel onbewust en doet ons onze negatieve eigenschappen opmerken in andere mensen alsof ze aan hen toebehoren. De Schaduw is het archetype dat volgens Jung het eigen geslacht weergeeft. Het is echter een onbewust aspect van de persoonlijkheid waarmee het bewustzijn (het Ik of Ego) zich niet wenst te identificeren. Nochtans is het belangrijk om ook je negatieve ‘dierlijke’ eigenschappen te leren kennen, omdat de inhouden van de Schaduw des te sterker zijn wanneer ze onbewust blijven. Dit krachtigste en gevaarlijkste van alle archetypen manifesteert zich vaak in iemands dromen, waarin het dan optreedt als inferieur mens van hetzelfde geslacht als de dromer, of als dier. De confrontatie aangaan met de Schaduw is volgens Jung een van de belangrijkste stappen die iemand dient te zetten op het pad van individuatie of zelfverwerkelijking.

De schaduw bestaat echter niet alleen uit moreel verwerpelijke neigingen, maar heeft ook een aantal goede eigenschappen, zoals normale instincten, passende reacties, realistische inzichten en creatieve impulsen. Zo hebben volgens Jung kunstenaars een gezond contact met hun dierlijke natuur. Door de nauwe samenwerking tussen Schaduw en Ik voelen zij zich energiek en creatief.

Zelf

Het Zelf mag niet verward worden met het Ik: het Ik is de organisatie van het bewustzijn (de bewuste identiteit), terwijl het Zelf het centrum is van de hele persoonlijkheid, die het bewuste, het onbewuste en het uiterlijke Ik omvat.

Jung beschouwt het Zelf als het centrale archetype van de persoonlijkheid of psyche. Het werkt organiserend binnen het collectief onbewuste en harmoniseert alle archetypen. Volgens Jung manifesteert het Zelf zich pas omstreeks de middelbare leeftijd. Dit komt doordat een mens pas op latere leeftijd het proces van individuatie doormaakt, wat tegenwoordig “zelfverwerkelijking” wordt genoemd. Het komen tot zelfkennis is ook een langdurig proces. Een indicatie dat het Zelf niet naar behoren werkt, is een gevoel van ontevredenheid met zichzelf. Ook blijft men eigen slechte eigenschappen op anderen projecteren. Bij de mens die zich in harmonie voelt met zichzelf en de wereld is de persoonlijkheid daarentegen ontwikkeld en geïndividualiseerd. Bewustwording van onbewuste inhouden leidt tot een grotere harmonie met de eigen natuur. Individuatie is een nooit eindigend proces, te vergelijken met het streven naar verlichting bij het boeddhisme.

Persoonlijkheidstypen

Jungs typologie van persoonlijkheid wordt nog steeds toegepast, al dan niet in aangepaste vorm. Zijn model werd omgezet in een eenvoudige psychologische test met de naam Myers-Briggs Type Indicator (MBTI), die wordt gebruikt als basis voor het bepalen van persoonlijkheidstypes.

Vier psychologische functies

Jung leverde aan de psychologie een verfijnde terminologie om de verschillende persoonlijkheidstypen in te delen. Hij onderscheidde daarbij vier psychologische functies waarvan er telkens één dominant kon zijn: denken, voelen, gewaarwording en intuïtie. Denken en voelen noemt hij de “rationele functies” omdat zij een vermogen tot oordelen hebben; gewaarworden en intuïtie zijn de “irrationele functies”. Over de vier psychologische functies zei Jung in ‘Man and his Symbols’ dat de functie van gewaarwording zegt “dat er iets is”, het denken “wat het is”, de functie van het voelen “of het aangenaam is of niet”, en intuïtie “wat de herkomst en de bestemming is”.

Met gewaarwording als dominante psychologische functie wordt iemands gedrag bepaald door zintuiglijke waarneming, door alle innerlijke en uiterlijke prikkels die hij of zij gewaarwordt.
Een intuïtief persoonlijkheidstype ‘weet’ zonder erbij te hoeven nadenken. Zijn intuïtie is iets dat hem overvalt: hij of zij volgt ingevingen en staat er niet bij stil of het redelijk of goed doordacht is.
Een denktype bepaalt zijn gedrag door logica en denken. Vandaar dat Jung denken een rationele functie noemde.
Iemand met voelen als dominante functie oordeelt en neemt beslissingen op grond van het gevoel dat iets bij hem of haar teweegbrengt. Omdat er telkens een waardering, een oordeel, bij te pas komt, noemt Jung ook het voelen een rationele functie.

Introversie en extraversie

Daarnaast deelt Jung persoonlijkheden nog eens in volgens de twee fundamentele houdingen: introversie en extraversie. Deze begrippen geeft hij wel een andere invulling dan wat er doorgaans onder wordt begrepen. In het gewone spraakgebruik duidt introversie op iemand die verlegen, teruggetrokken is, en extraversie op een uitbundig iemand die geen blad voor de mond neemt. Bij Jung richten extraverte mensen hun psychische energie (‘libido’) op ervaringen met mensen, dieren en zaken die hun gevoelens en gedachten beheersen. Bij introversie is het net andersom, en wordt de introverte persoonlijkheid opgeslorpt door het eigen innerlijk. Het is echter niet uitgesloten dat een ‘introverte persoonlijkheid’ in zijn houding naar buiten toe een extraverte indruk geeft. Alleen zal die buitenwereld niet bepalend zijn voor zijn psychisch evenwicht.

Samenvattend

Extraverte types hebben een bewustzijn dat op de buitenwereld is gericht en door de waarde die zij aan de buitenwereld verlenen is deze de maatstaf voor hun beslissingen;
Introverte types richten hun bewustzijn op de binnenwereld en die binnenwereld bepaalt ook hun beslissingen.

Binnen deze twee categorieën komen gradaties voor van zwak extravert of introvert tot extreem extravert of introvert. De extreme varianten associeert Jung met onontwikkelde of neurotische persoonlijkheden.

Combinaties van functies en houdingen

Door combinatie van de vier psychologische functies en de twee houdingen ontstaan in totaal acht mogelijke persoonlijkheidstypen:

  1. het extraverte denktype
  2. het introverte denktype
  3. het extraverte gevoelstype
  4. het introverte gevoelstype
  5. het extraverte gewaarwordingstype
  6. het introverte gewaarwordingstype
  7. het extraverte intuïtieve type
  8. het introverte intuïtieve type

Nalatenschap en betekenis van Jung

Jung hechtte in vergelijking met andere psychologen en psychiaters veel meer belang aan het spirituele leven van de mens. Dit alleen al maakt hem in de ogen van meer empirisch gerichte psychologen verdacht als ernstig wetenschapper. Zijn leraar Sigmund Freud had hem reeds verweten een mysticus te zijn door zich bezig te houden met paranormale verschijnselen en esoterische onderwerpen als astrologie, het orakelsysteem I Tjing en alchemie. Jung was er echter van overtuigd dat hij pas iets van de sluier van het onbewuste zou kunnen oplichten wanneer hij de symboliek van het onbewuste begreep. Die symboliek vond hij niet alleen in dromen terug, maar ook in kunst, literatuur en religie. Vandaar dat zijn methode (‘amplificatie’) zo alomvattend is en alleen toegankelijk is voor iemand die heel belezen is. Jung liet ons een heel vocabularium na aan specifieke psychologische termen (Anima en Persona bijvoorbeeld), waar iedereen al wel eens mee in aanraking is gekomen. Mogelijk het bekendste aspect van zijn werk is zijn typologie van verschillende persoonlijkheden. Jungiaanse psychoanalyse blijft aantrekkelijk voor meer spiritueel gerichte mensen en wordt ook nog steeds in gespecialiseerde instituten over heel de wereld aangeboden.

Geraadpleegde literatuur

C.G. Jung, Verzameld werk in 10 delen, uitgeverij Lemniscaat Rotterdam, tweede druk 1990.
C.G. Jung, Archetypen, uitgeverij Servire Katwijk, 5e druk 1918. ISBN=90.6069.288.8
C.G. Jung, Over grondslagen van de analytische psychologie – De Tavistock Lectures .Lemniscaat Rotterdam 1978. ISBN=90.6077.126.5

Auteursrecht: Jules Grandgagnage
Advertenties

Websites over esoterie: het kaf en het koren

File:Universum.jpg

Esoterie zit in de lift. Dagelijks raadplegen talloze mensen hun horoscoop in de krant, en tarotlezers, mediums en allerlei zelfverklaarde paragnosten zetten professionele betaalwebsites op om goedgelovige klanten te vangen. Mensen nemen ook hoe langer hoe meer hun toevlucht tot alternatieve genezers die beweren betere resultaten te kunnen behalen dan de 21e-eeuwse wetenschap. En aan deze crazy hype lijkt geen einde te komen. Integendeel. New age is back, al is het eigenlijk nooit echt weggeweest. We worden omgeven door nieuwe heksen, esoterische zwevers, oosters levende westerlingen en charlatans allerhande die vooral hun eigen economie draaiende willen houden ten koste van ‘onze’ portemonnee. Om die verdwazing gaande te houden, is het essentieel dat het product gekaderd wordt binnen een esoterische filosofie. Door al die rook en verdwazing zou een mens op den duur vergeten dat esoterie ook ernstig kan worden bestudeerd.

Astrologie, alchemie en magie vormen de drie belangrijkste loten aan de stam van de westerse esoterie. Maar hoe zit zit het eigenlijk gesteld met de kennis van deze drie oude traditionele wetenschappen op websites die erover schrijven? Komt het overeen met wat uit studies van hedendaagse cultuurwetenschappers en historici blijkt? En welke sites bieden content aan die niet gewoon is gekopieerd van elders? We bekijken het.

Esoterie als entertainment

Vanaf het laatste kwart kwart van de 19e eeuw was er sprake van een enorme opleving in interesse voor ‘occulte’ of ‘esoterische’ zaken. Esoterische kennis was toen nog geen gemeengoed, maar werd beschouwd als een verborgen leer die slechts door ingewijden mocht worden verworven. Esoterische, geheime genootschappen als The Order of The Golden Dawn en de Theosophical Society zagen toen het licht, en dergelijke organisaties hebben tot in onze tijd succes. Esoterie als entertainment en consumptieproduct werd pas goed aangewakkerd in de jaren 1970, toen massa’s literatuur over new age beschikbaar kwamen voor het gewone publiek. Typisch voor de new age-benadering van esoterie is het ec­lec­ti­cis­me en de oppervlakkigheid: ieder ‘shopt’ enthousiast in de esoteriewinkel naar boeken over astrologie, tarot, alternatieve genezingen en dies meer, maar heeft gewoonlijk niet veel aandacht voor traditie of historiciteit.

Esoterie als academisch studieobject

Esoterie is bij academici eeuwenlang “rejected knowledge” (verworpen kennis, academisch irrelevant) geweest, maar daar is de laatste decennia verandering in gekomen. Als academisch vakgebied breekt esoterie door de vastgestelde grenzen van religie, wetenschap, kunst, wetenschapsgeschiedenis en filosofie, en is dan ook een bijzonder interdisciplinaire onderneming. Bekende onderzoekers met publicaties op dit gebied zijn de Nederlandse esoterie-expert Wouter J. Hanegraaf, de Franse esoterie-onderzoeker Antoine Faivre, de Brit Nicholas Goodrick-Clarke en de Duitse religiewetenschapper Kocku von Stuckrad. Hun werk levert ons een verantwoord ijkpunt op om het kaf van het koren te scheiden bij websites die artikelen aanbieden over esoterie. We beginnen met een kort overzicht van de drie betreffende hoofdstromingen binnen de westerse esoterie.

Traditionele wetenschappen

De hoofdstromingen die binnen de westerse esoterie door esoterici “traditionele wetenschappen” worden genoemd, bestonden reeds in de oudheid, en werden vooral in de renaissance meer in samenhang bestudeerd. Ze zijn te vergelijken met rivieren die niet specifiek aan een bepaalde periode verbonden zijn en waaraan elke periode eigen invullingen geeft. Zelfs het 19e-eeuws sciëntisme slaagde er niet in om deze drie hoofdstromen te doen verdwijnen, en ook nu nog zijn ze persistent aanwezig. Voor wie zich afvraagt wat het verschil is tussen occultisme en esoterie: “esoterie” is een jongere term dan “occultisme” die minder negatieve connotaties heeft.

Alchemie

Onder alchemie verstaat men een brede discipline die bestaat uit zowel natuurfilosofie als praktijk en (scheikundig) experiment. Het bekendste aspect van deze traditionele wetenschap is transmutatie, de omzetting van gewone metalen in zilver en goud (chrysopoeia) en de bereiding van een panacee, een levenselixir. De laatste decennia verschenen publicaties over alchemie door wetenschapshistorici en cultuurwetenschappers die nieuwe inzichten hebben gebracht over het fenomeen van de alchemie. Boeken en manuscripten die eeuwenlang ongelezen bleven worden nu vanuit hun historische context bestudeerd.

Alchemie moet in samenhang met astrologie worden bestudeerd, een oudere traditie die eveneens de relatie tussen mens en universum bestudeert. De symbolentaal van alchemie is voor een deel astrologisch, maar maakt ook gebruik van een eigen iconografie.

Astrologie

Astrologie is de traditionele wetenschap die de samenhang bestudeert tussen de stand van de hemellichamen en gebeurtenissen op aarde. Technieken, methodes en het achterliggend wereldbeeld van westerse astrologie worden met name beschreven in de Tetrabiblos van Claudius Ptolemaeus uit de 2e eeuw. Dit werk steunt dan weer op voorafgaande hellenistische tradities en uiteindelijk op de Babylonische astrologie.

Het maken van voorspellingen is slechts een aspect van astrologie; het belang voor de esoterie ligt vooral in de visie op mens en universum als zijnde onlosmakelijk verbonden, en de vooronderstelling dat inzicht in deze relatie – middels de juiste kennis en technieken – belangwekkende inzichten kan opleveren.

Magie

De derde traditionele wetenschap die binnen de westerse esoterie een belangrijke rol vervult, is magie of magia. In de periode van het renaissancehumanisme was er een heropleving van astrologie, hermetisme en neoplatonisme. De ‘occulte wetenschappen’ (een 19e-eeuwse benaming) werden enthousiast bestudeerd en uitgeoefend vanuit de visie dat het universum een organisch, sympathetisch geheel was waarin alle niveaus (micro- en macrokosmos) met elkaar verbonden en van elkaar afhankelijk waren. De visie van een ‘levend’ universum met verschillende niveaus van werkelijkheid vindt men bijvoorbeeld terug bij de Italiaanse renaissancehumanist Pico della Mirandola.

Esoterie op Nederlandstalige websites

We kunnen twee grote groepen onderscheiden al naargelang het doel dat ze voor ogen hebben: educatieve websites en commerciële websites. Educatieve websites bieden informatie aan zonder enig ander oogmerk, terwijl commerciële sites daarnaast ook zichzelf en hun bijdragers willen verrijken via aanklikbare reclameboodschappen en het aanbieden van vaak prijzige cursussen en webshops. In het algemeen zijn educatieve online aanbieders van informatie betrouwbaarder, precies omdat de nauwkeurigheid van die informatie primeert op het aantal ‘te lokken’ bezoekers. We bekijken in deze twee groepen zowel de algemene informatieve als de specifiek op esoterie gerichte websites in het Nederlandstalig gebied. Voorwaarde is wel dat ze de drie traditionele wetenschappen aan bod laten komen. De verwachting dat er een enorm aanbod zou zijn om tussen te kiezen werd niet ingelost, omdat entertainment en commercie de boventoon voeren. Het was moeilijk om tussen al het kaf wat koren te vinden.

Bij de selectie werd rekening gehouden met volgende 7 criteria:

  1. de artikelen moeten vrij beschikbaar zijn zonder toegangsgeld
  2. de educatieve waarde van de artikelen primeert op commerciële belangen
  3. de artikelen zijn in het Nederlands geschreven
  4. de artikelen mogen niet gekopieerd zijn van andere auteurs
  5. de aangeboden informatie moet correct, zo volledig mogelijk, goed gestructureerd, prettig leesbaar en taalkundig verzorgd zijn
  6. de aangeboden informatie weerspiegelt ‘mainstream’ opvattingen over het onderwerp (geen marginale, eenzijdige of zweverige visies)
  7. de artikelen vermelden bij voorkeur bronnen en geraadpleegde literatuur; bij overname (kopiëren), geheel of gedeeltelijk, van teksten die zoals bij Wikipedia en Wikibooks zijn vrijgegeven onder de licentie CC BY-SA van Wikimedia Commons, is het verplicht om een link op te geven naar het oorspronkelijk artikel om het auteursrecht van de schrijvers op die projecten niet te schenden.

Wikipedia Score: 6/7

De Nederlandstalige Wikipedia, een niet-commerciële aanbieder van algemene informatie, scoort op gebied van esoterie in vergelijking met andere aanbieders van encyclopedische inhoud bijzonder hoog. De artikels over (westerse) astrologie, magie en alchemie zijn gebaseerd op degelijke wetenschappelijke bronnen en ogen allerminst ‘zweverig’. Wikipedia geeft hier gewoon de toon aan, want haar artikels worden enthousiast gekopieerd op andere websites.
Werkpuntje: nog meer werken aan punt 5, leesbaarheid

Wikisage Score: 4/7

Wikisage is een van die spiegelsites van Wikipedia, waarin weinig oorspronkelijke artikelen worden aangetroffen. We kunnen dus kort zijn: voor het ogenblik is deze website zeker niet de eerste keus voor wie zich wil oriënteren over esoterie. Ter illustratie:

  1. het artikel over Astrologie is overgenomen van de Wikipediatekst over Westerse astrologie, en later enigszins aangepast.
  2. het artikel over Magie is grotendeels een doorslagje van het Wikipedia-artikel
  3. ook het artikel over Alchemie speelt leentjebuur bij de grote zus en is in vergelijking daarmee veel korter en onvollediger

Werkpuntjes: 4, 5 en 6

InfoNU Score: 4/7

InfoNu is wat je een van de betere ‘verdiensites’ zou kunnen noemen, hoewel het niveau nogal wisselvallig is. InfoNu werkt met een advertentieprogramma om inkomsten voor de schrijvers en voor zichzelf te genereren. Elke klik van de lezer op een banner is kassa kassa. Wie voor InfoNu schrijft doet dan ook zijn uiterste best om op korte tijd zoveel mogelijk artikeltjes te schrijven die wat kunnen opbrengen. Het is duidelijk dat hierbij soms wat gemakzuchtig te werk wordt gegaan.  Ofwel worden esoterische onderwerpen ‘uit de losse pols’ beschreven, ofwel wordt een Wikipedia-artikel geraadpleegd en in het beste geval ‘herschreven’. Wat betreft de behandeling van esoterische onderwerpen is het dus vrij droevig droevig gesteld, vooral wanneer het gaat om artikelen uit de beginperiode. Een enkele uitzondering daargelaten zijn de artikels te onvolledig en kort, stilistisch zwak, te populariserend geschreven en niet goed nagekeken op fouten. Niet echt een aanrader dus, hoewel InfoNU voor andere onderwerpen soms wel interessante informatie biedt.

  1. Over astrologie zijn er veel artikels geschreven, waarvan de meeste helaas als fastfood voor onkritische lezers zijn geproduceerd. De kopieerzucht wordt zo mogelijk nog verergerd door zelf te trachten de oorspronkelijke tekst van Wikipedia e.d. naar eigen inzicht te veranderen zonder dat de schrijver enige kennis van zaken heeft. Wie op zoek gaat naar degelijke informatie over astrologie wordt als snel afgeschrikt door het ratjetoe dat degelijke artikels kenmerkt.
  2. Alchemie is zoals te verwachten een minder populair onderwerp op InfoNu, tenzij het over de Harry Potterboeken gaat. Ook hier weer stellen we vast dat de onderwerpen niet uitputtend beschreven zijn; eerder bondig en onvolledig.
  3. Ook artikels over Magie mikken op een zo breed mogelijk publiek dat lichte kost prefereert. Zoals bij de meeste andere artikelen is er nauwelijks sprake van opgave van geraadpleegde literatuur, waardoor de inhoud voor leken niet te controleren valt op betrouwbaarheid.

Positieve ervaring: de redactie van InfoNu werkt hard om de bestaande content na te kijken en te verbeteren. Ze staan ook open voor kritiek en zijn bereid om aan de minpuntjes te werken.

Werkpuntjes: 2, 4 en 7

Leerwiki Score: 4/7

Een van de educatieve sites, die het aanbieden van informatie combineert met de mogelijkheid om met schrijven geld te verdienen. Esoterische onderwerpen als astrologie krijgen ook hier een typisch oppervlakkige behandeling, met een overdreven aandacht voor sterrenbeelden. Waar de schrijvers van de artikelen zich op hebben gebaseerd en welke bronnen zij bij het schrijven hebben gebruikt is meestal een mysterie. Ook hier vinden we veel taalfouten, slordigheden en onnauwkeurigheden in de manier waarop de onderwerpen worden beschreven. Blijkbaar heeft ook hier de koppeling van informatie verstrekken aan betalende advertentieprogramma’s als Google Adsense een gevolg voor de zorg die aan de artikelen wordt besteed. Niettemin is dit dan nog een van de betere sites in zijn categorie.

Positieve ervaring: gedreven redactie die hard werkt aan vernieuwing en kwaliteit. Staat open voor suggesties ter verbetering van het niveau van de artikelen die een educatieve meerwaarde moeten hebben.

Werkpuntjes: 2, 4 en 7

Foobie Score: 4/7

Foobie presenteert zichzelf als “één van de grootste platformen om informatieve artikelen te schrijven, artikelen van andere auteurs lezen en reageren/discussiëren.” Kenmerkend zijn de titels in vraagvorm: “Wat is…?”, “Wist je dat…?”

De kwaliteit van de artikelen is ook hier nogal wisselvallig, maar het goede nieuws is dat bijvoorbeeld over astrologie en alchemie toch goed geschreven artikelen te vinden zijn die geen kopie zijn van Wikipedia. Een grote domper op de vreugde is dat ook hier de schrijvers het niet nodig vinden om de door hen geraadpleegde literatuur op te geven. Dit maakt de behandeling van de onderwerpen onverifieerbaar en dus onbetrouwbaar.
Werkpuntjes: 2, 4 en 7

Tallsay Score: 3/7

Ook dit is een betalende site met artikelen over tal van onderwerpen die blijkbaar mikken op een publiek dat hapklare brokken wil voorgeschoteld krijgen. Astrologie, alchemie en magie worden typisch oppervlakkig en clichématig behandeld, hoewel er wel enkele vaardige schrijvers aan het werk zijn. De onderwerpen moeten lezers lokken zodat je er artikels over sterrenbeelden bij de vleet vindt, en nog meer over liefdesrelaties tussen sterrenbeelden. Vrij voorspelbaar voor dit soort sites. Wikipedia blijkt een bron te zijn waar dankbaar van wordt gebruikgemaakt, al wordt dit niet vermeld bij de artikels. Onbetrouwbaar, helaas, vanwege het ontbreken van bronopgave, wat voor een ernstige wetenschappelijke behandeling van de materie gewoon ondenkbaar is.
Werkpuntjes: 2, 4, 6 en 7

Catharinaweb Score: 5/7

Catharinaweb bestaat sinds 2001 en blijkt te kunnen steunen op bekwame webredacteurs.  De artikelen zijn met kennis van zaken geschreven en een aanrader voor wie zich wil informeren over verschillende aspecten van astrologie (met gratis horoscooptekening en duiding) en magie (numerologie, wicca, orakels zoals tarot, met gratis leggingen enz.). Zonder meer aanbevolen, in niveau ver verheven boven de ‘andere’ commerciële sites. Uitstekend voor een eerste oriëntatie in de wereld van de esoterie.
Werkpuntjes: 2, 7

Spiritualia Score: 3/7

Spiritualia.be is meer iets voor mensen die graag zweverig communiceren over esoterie. Het is dus eerder een portaal als trefpunt voor gelijkgezinde ‘spirituele’ mensen, dan een aanbieder van correcte encyclopedische kennis op gebied van esoterie. Heel wat teksten zijn bovendien gekopieerd van Wikipedia met al dan niet wat eigen geknutsel dat het oorspronkelijk artikel eerder verzwakt.
Ter illustratie:
* Het artikel over Alchemie in de ‘Encyclopedie’ is niet meer dan wat knip- en plakwerk uit artikels die ik zelf voor Wikibooks en Wikipedia schreef. Waar het vandaan komt wordt echter niet vermeld, terwijl dit bij overname van een artikel onder de licentie CC BY-SA van Commons verplicht is.

Ervaring: Toen ik op een beleefde manier meldde dat heel wat van hun artikelen kopieën zijn van andere auteurs, werd ik als lastige klant afgesnauwd en ‘aan de deur gezet’ (account verwijderd)…

Doordat bronopgave wordt geschuwd, valt de aangeboden informatie onder de categorie ‘meningen’ of ‘essays’ zonder de mogelijkheid om deze inhoudelijk te verifiëren. Zelfs bij de artikelen van de ‘Encyclopedie’ worden geen referenties opgegeven. Het portaal is bovendien verbonden aan een site die dure cursussen en workshops aan de man wil brengen.
Werkpuntjes: 2, 4 , 6 en 7

De Magische Mens

Deze website geeft veel informatie over de drie traditionele wetenschappen astrologie, alchemie en magie. De medewerkers schrijven niet voor geld, omdat ze vinden dat informatie vrij en algemeen toegankelijk moet zijn. De site is nog in opbouw, maar heeft al een uitgebreid gedeelte over astrologie en magie. Omdat ik er zelf aan meewerk, zal ik deze site niet in de hiernavolgende rangschikking vermelden.
Werkpuntjes: 5, 7

Heksenwoordenboek

(Geen score, werk in wording)
Een beetje ‘hors concours’, maar toch vermeldenswaard, is het “Heksenwoordenboek” (een werk in wording) op Wikibooks. Er worden in de eerste plaats allerlei termen uitgelegd die op de een of andere manier te maken hebben met hekserij, de moderne wicca en andere stromingen binnen het (neo)paganisme. Hierbij hanteert men echter een ‘ruime’ definitie van hekserij zodat praktisch alle termen in verband met esoterie (magie, alchemie en astrologie) hier een plaats krijgen. Prima voor een snelle oriëntatie, ook al gaat het hier om korte, definiërende teksten die niet de bedoeling hebben om een onderwerp exhaustief te beschrijven.
Werkpuntjes:  5, 7

Het Woordenboek van de Skepticus

(Geen score, geschreven vanuit 1 standpunt)
Geeft inhoudelijk degelijke en helder geschreven informatie over onderwerpen binnen de categorieën magie, astrologie en alchemie, vanuit het standpunt van de wetenschappelijke scepticus. Aanbevolen, al was het maar om zich beter te wapenen tegen gratuite beweringen en foute voorstellingen van zaken door op winst beluste ‘esoterische’ websites.
Werkpuntjes: 5, 6

Voorlopige conclusie

Dit artikel geeft slechts een voorlopige stand van zaken op 23-04-2017 weer, omdat de besproken sites mogelijk al inspanningen aan het leveren zijn om de kwaliteit van hun artikelen te verbeteren. Websites die hun content kopiëren van elders scoren laag of onvoldoende (Wikisage, Tallsay, Spiritualia). Niet zo toevallig zijn dat ook degenen waarvan de artikelen structureel en stilistisch vaak veel te wensen overlaten. Daarentegen scoren websites die oorspronkelijke en kwalitatief waardevolle teksten aanbieden hoog.

Hiermee rekening houdend komen als sterkste algemene aanbieders van esoterische content de volgende drie uit de bus:

  1. Wikipedia
  2. Catharinaweb
  3. InfoNu

Opvallend is dat samenwerkingsprojecten en/of projecten met een degelijke redactie doorgaans veel beter scoren dan eenmansinitiatieven of verzamelwebsites waar auteurs na plaatsing niets meer aan hun tekst (willen) veranderen. Samenwerking en controle van elkaars teksten werkt echt.Ontbreekt die mogelijkheid, dan moet je als lezer de auteur zelf aanspreken op fouten, maar dat verloopt in de praktijk niet zo vlot. Dat InfoNu bij the best of staat, komt niet doordat de artikelen foutloos zijn, maar wel doordat de redactie daar goed werk levert en feedback op elkaars artikelen goed geregeld is.

Websites die zich focussen op één van de drie traditionele wetenschappen (Alchemie, Astrologie, Magie) zijn in het Nederlandstalig gebied eerder zeldzaam:

  • Websites over Alchemie: een evenwaardige Nederlandse tegenhanger van de Engelse ‘Alchemy Website’ van  Adam McLean is er niet. “Alchemie website” is nog in opbouw, en geeft onder meer nuttige en helder geschreven informatie over doel, principes en iconografie van de alchemie. Ook het online boek over Alchemie op Wikibooks is vrij goed uitgewerkt.
  • Websites over Astrologie: Vermeldenswaard onder de louter educatief bedoelde aanbieders van esoterische content zijn “Westerse astrologie” op Wikibooks. Daarnaast vinden we weer tal van commerciële sites die weinig interessante artikelen aanbieden omdat ze nu eenmaal gericht zijn op verkoop. Zelfs sites van astrologische vakverenigingen zoals Astrologische Vakvereniging Nederland en Werkgemeenschap van Astrologen zijn spaarzaam met gratis beschikbare informatieve artikelen over astrologie. Interessant voor klassiek georiënteerde astrologen is Astroklassiek van de Belg John Timperman.
  • Websites over Magie:  Het is moeilijk om het begrip magie precies af te bakenen omdat het historisch nauw verbonden is geweest met andere, religieuze, opvattingen van de werkelijkheid. Wie een ruime definitie hanteert, zou overigens ook astrologie en alchemie tot deze categorie kunnen rekenen. Wat magische praktijken onderscheidt, is het rituele karakter ervan. Het verdient dus aanbeveling om je licht ook op te steken op sites over religieuze antropologie, of een studie te maken van het 19e-eeuws Frans occultisme en Britse magische orden zoals de Golden Dawn. Een online boek dat magie als traditionele westerse esoterische wetenschap behandelt is “Magie” op Wikibooks. Niet alleen geschiedenis en magie in verschillende regio’s van de wereld komen aan bod, maar ook bijvoorbeeld theorievorming, principes en rol van de magie.

Externe links

Alfabetisch:

Suggesties?

Hebt u zelf interessante links naar websites waarvan u denkt dat ze hier besproken kunnen worden?  Stel ze dan voor in het tekstvakje ‘Reacties’ onderaan het artikel.

Overzicht

 

vrij toegankelijk educatieve waarde geen gekopieerde teksten kwaliteit

(correct, taal enz.)

verifieerbaarheid correcte bronvermelding encyclopedische waarde
Wikipedia +++ +++ ++ ++ +++ ++ +++
Wikibooks +++ +++ +++ ++ +++ ++ +++
Wikisage +++ ++ + + + +
Tallsay +++ + + +
Foobie +++ + + +
Spiritualia +++ + +
InfoNu +++ + + +
Leerwiki +++ + + +
Magische Mens +++ ++ +++ ++ ++ ++ ++
Catharinaweb +++ +++ +++ ++ + ++

(opmerking: deze tabel heeft uitsluitend betrekking op artikelen over esoterie op deze websites)

+++ = zeer goed
++ = goed
+ = behoorlijk
– = onvoldoende

Auteursrecht: Jules Grandgagnage

Westerse esoterie

Tekstverantwoording

De basistekst voor dit artikel schreef ik voor de Nl Wikipedia onder mijn accountnaam aldaar.


De studie van westerse esoterie bestrijkt een breed spectrum aan esoterische stromingen in de westerse cultuurgeschiedenis. Het gaat met name om westerse opvattingen over “esoterie” sinds de renaissance tot heden. Hierbij kunnen ruwweg twee filosofisch-religieuze tradities worden onderscheiden (neoplatonisme en hermetisme), drie ‘traditionele wetenschappen’ (astrologie, magie of magia, en alchemie), en een stroming van theosofische speculaties (kabbala). Neoplatonisme, hermetisme en gnosticisme zijn de vroegste hellenistische bronnen waaruit renaissancemagie en christelijke kabbalaontsproten. Zij vormden samen dan weer de inspiratie voor latere stromingen binnen de westerse esoterie, zoals rozenkruisers, christelijke theosofie, het 19e-eeuwse occultisme, spiritisme, de 20e-eeuwse newage-beweging, en andere vormen van moderne alternatieve spiritualiteit.

Verworpen kennis

Esoterie is bij academici eeuwenlang “rejected knowledge” (verworpen kennis, academisch irrelevant) geweest, maar daar is de laatste decennia verandering in gekomen. Als academisch vakgebied breekt esoterie door de vastgestelde grenzen van religie, wetenschap, kunst, wetenschapsgeschiedenis en filosofie, en is dan ook een bijzonder interdisciplinaire onderneming.

HELLENISTISCHE BRONNEN

De westerse esoterische tradities zijn historisch terug te voeren op verwante religieuze wijzen van denken in de eerste eeuwen van onze jaartelling, zoals het gnosticisme, het hermetisme en het neoplatonisme. Het gaat hier om een vermenging van filosofische en religieuze denkbeelden tijdens de late oudheid, met name uit het hellenistische Egypte. Platonisme werd door schrijvers uit de hellenistische periode getransformeerd tot een religieus wereldbeeld met eigen rituelen en mythes, waarin verlossing van de ziel door kennis (gnosis) centraal stond. Een van de belangrijkste manifestaties van deze religieuze stroming binnen een platonisch kader was de Egyptisch-hellenistische traditie van het hermetisme.

Een aantal religieuze doctrines en denkwijzen uit de hellenistische periode vormden de basis van de westerse esoterie zoals die in de renaissance zou worden vormgegeven. Er is niet zoiets als één esoterisch wereldbeeld. Het gaat in het algemeen wel om opvattingen over het goddelijke en de wereld, of het spirituele en de aarde, in een bezield universum. Tussen de lagere en hogere werelden of “sferen” treden wezens op, engelen (daimons), die de mens helpen om in bewustzijn hoger in de hiërarchie te klimmen. Een idee dat toen ook reeds aanwezig was, is de transmutatie van de ziel, die in een proces van sterven en herboren worden naar deze hogere werelden terugkeert. Deze ideeën ontstonden alle in het oostelijke Middellands Zeegebied, met name in het hellenistische Egypte. Te denken valt aan het Alexandrijns hermetisme (de Griekse geschriften toegeschreven aan de legendarische Hermes Trismegistus, 2e en 3e eeuw), het neoplatonisme, de theürgie en voor een deel ook de gnostiek.

I) Hermetica

De belangrijkste oude bronnen van het westers esoterisme zijn de hermetica, een reeks boeken uit de late oudheid, toegeschreven aan Hermes Trismegistus, de ‘drievoudig grote’. Het gaat om een in (het Romeinse) Alexandrië ontstane verzameling teksten over onder meer kosmologie, magie, astrologie en theosofie. Deze uiteenlopende collectie teksten van de hermetica heeft het westers esoterisme in aanzienlijke mate vormgegeven. Een belangrijk onderwerp in het Corpus Hermeticum, en wat het ook “hermetisch” maakt, is de val in de materie en de uiteindelijke verlossing door hereniging met het goddelijke. De sleutelthema’s die hierin voorkomen, worden in latere esoterische stromingen overgenomen:

Zo Boven, zo Beneden: de menselijke geest weerspiegelt het universum. Het universum is als een boek dat kan worden ‘gelezen’ door wie de sleutel kent. God manifesteert zich in alles, en het menselijk intellect kan deze tekens ontcijferen. Elke vorm van dualisme ontbreekt, want de wereld is van goddelijke oorsprong. Naar analogie met de alchemie streeft het hermetisme ernaar om op te stijgen vanuit aardse, grove materie naar het verfijnde spirituele. De mensheid heeft de taak om zich met het hogere goddelijke te herenigen. Het universum is samengesteld uit een hiërarchie van planetaire sferen die met de hulp van bemiddelende intellecten (engelen, geesten) kunnen worden verkend. De mensheid kan helpen om de Aarde in haar oude glorie te herstellen doordat zij verbinding heeft met zowel de aardse als de goddelijke sfeer. Hermetische verhandelingen vervullen de taak van gidsen om mensen bewust te maken van hun goddelijke oorsprong en helpen hen bij hun geestelijke transmutatie.

2) Neoplatonisme

Een andere bron van de westerse esoterie is het aan het hermetisme verwante voorchristelijke neoplatonisme, dat vanaf de 3e eeuw met Plotinus en zijn navolgers een nieuwe impuls gaf aan platonische denkbeelden. Latere neoplatonisten bouwden verder op Plotinus’ denkbeeld van een bezield universum, waardoor hun interesse verschoof naar theürgie, magische handelingen waarvoor kennis nodig was van rituelen en invocaties om in contact te treden met goden en andere spirituele entiteiten. Zij bereidden op deze manier de weg naar renaissancemagie en het moderne esoterisme.[19] Religieuze teksten als de Chaldeeuwse orakels kregen in het latere neoplatonisme de status van ‘heilige boeken’.

3) Gnostiek

De christelijke stroming van de gnostiek dateert uit de eerste drie eeuwen na Christus en had ook invloed op het westers esoterisme. Gnostiek stelt dat er een speciale soort kennis, gnosis, van God en de hogere werkelijkheid bestaat. Hoewel God onkenbaar blijft, haalden de gnostici verborgen kennis uit de manifestaties van God: vanuit zijn goddelijke eenheid ontsproten de aeons, die samen een complexe metafysische structuur van de kosmos vormden. Het bezit van gnosis zou de menselijke ziel in staat stellen om terug te keren naar haar goddelijke oorsprong. Veel van deze elementen uit de gnostiek vindt men in de een of andere vorm ook terug in het hermetisme en het neoplatonisme.

MIDDELEEUWEN

In de middeleeuwen speelde het Byzantijnse Rijk een grote rol in het bewaren en doorgeven van allerlei kennis, met name ook van westers esoterisme. Nadat het West-Romeinse Rijk in 410 was bezweken onder barbaarse invallen, werd Byzantium gedurende 1000 jaar het belangrijkste kanaal voor het verder verspreiden van wat de hellenistische cultuur had voortgebracht. Ook de Arabisch-islamitische cultuur speelde een niet te onderschatten rol als doorgeefluik van anders teloorgegane kennis van de antieke oudheid. Zo verschenen in de middeleeuwen oude alchemistische teksten praktisch niet in Europa vóór de twaalfde eeuw, tot ze via de islam in Spanje werden geïntroduceerd.[20]Arabische geleerden zouden vanaf de 6e eeuw gefascineerd geraken door westerse geschriften over occulte wetenschappen zoals alchemie, astrologie en magie, en ontwikkelden ook een eigen hermetische literatuur.

RENAISSANCE en 17e EEUW

Italiaans renaissancehumanisme, hermetica en kabbalaHistorische overzichten begrijpen onder westerse esoterie de moderne esoterische stromingen die aan het einde van de 15e eeuw in het gelatiniseerde Westen ontstonden. Het was immers pas aan het begin van de renaissance dat er naar werd gestreefd om al het beschikbare esoterische materiaal uit de oudheid te verzamelen vanuit de overtuiging dat dit een homogeen geheel vormde. Dit werd nog gestimuleerd door de instroom van in 1492 uit Spanje verdreven joden die christelijke Italiaanse humanisten met de kabbala in aanraking brachten.

Italiaanse renaissancehumanisten waren gepassioneerde verzamelaars van oude manuscripten. In 1490 kwam Cosimo de Medici in bezit van het Griekse manuscript van de Hermetica van Hermes Trismegistus en liet dat vertalen door Marsilio Ficino. Deze jonge humanist zou aan de basis liggen van een herleving van platonisme en hermetica in Florence. Aan de academie onderwees Ficino dat de menselijke ziel en het menselijk denken actief alle dingen in het universum konden beïnvloeden. De mens werd zo het centrum van dit universum, waarin hij op een magische manier kon doordringen. Overigens werd de ouderdom van de hermetica als “philosophia perennis” door de Italiaanse humanisten zwaar overschat, daterend van voorchristelijke tijden, met Hermes Trismegistus als tijdgenoot van Mozes.

De Hermetica was van grote invloed op de ‘christelijke kabbala’ zoals die aan de platoonse academie in Florence werd onderwezen. Pico della Mirandola vertaalde de belangrijkste kabbalistische teksten en formuleerde ook zijn eigen inzichten in kabbala en magie.

Na de reformatie zagen rozenkruisersmystiek, theosofie en vrijmetselarij het licht als takken van de brede spirituele stroming die renaissancehumanisten hadden herontdekt.

AgrippaHeinrich Cornelius Agrippa’s De occulta philosophia libri tres (Drie boeken over occulte filosofie) uit 1533 vat het universum op als drie werelden: de elementale, de hemelse en de intellectuele wereld die met de juiste vorm van magie kunnen worden beïnvloed. Zijn visie is sterk geïnspireerd op neoplatonische denkbeelden en op de kabbala, met name op de levensboom met de sefirot. Zijn boeken bouwen verder op het werk van Marsilio Ficino, Pico della Mirandola en Johannes Reuchlins synthese van magie en godsdienst. De grote verdienste van zijn werk is dat, in tegenstelling tot veel grimoires van zijn tijd, het meer wetenschappelijk en intellectueel is dan mysterieus en occult.

ParacelsusDe astroloog en alchemist Paracelsus (1493/94–1541) verwierp de theorieën over magie van Heinrich Cornelius Agrippa en Nicolas Flamel, en streefde naar het ontwikkelen van een nieuwe geneeskunde met gebruik van chemicaliën en mineralen. Hij was ervan overtuigd dat een combinatie van christelijk geloof, dat wat zijn zintuigen hem leerden en een juiste kennis van de verbindingen tussen micro- en macrokosmos de oude Griekse en Romeinse geneeskunde zou vervangen. In zijn werken over geneeskunde combineert hij alchemie met ideeën uit het hermetisme en het platonisme om de eenheid tussen de mens, diens gezondheid en de natuur uit te leggen.

John DeeAan het Engelse hof genoot de in magie geschoolde filosoof en wiskundige John Dee (1527-1608) een goede reputatie als adviseur en hofastroloog van koningin Elizabeth I. Hij bekwaamde zich naar het voorbeeld van de Italiaanse humanisten in astrologie, alchemie en kabbala, en zou daar later in zijn leven ook theürgie aan toevoegen. Hij is met name bekend om zijn ‘engelenmagie’. Op basis van de uitgebreide bibliotheekcatalogus die hij naliet, beschouwen wetenschappers als Frances Yates hem nu als een van de meest vooraanstaande proponenten van hermetica en kabbala uit de tijd van het humanisme.

Jacob Boehme en theosofie

Christelijke theosofie ontstond als reactie tegen de strenge orthodoxie van de lutherse leer en was vooral in de 17e en 18e eeuw een van de belangrijkste esoterische stromingen.[22] De bekendste vertegenwoordiger is Jacob Boehme. Hij was afkomstig uit een provincie in Saksen waar de reformatie weliswaar een vaste voet aan de grond had gekregen, maar waar de heterodoxe en hermetische traditie onverminderd was blijven voortleven. In zijn werk is sophia, wijsheid, de bemiddelaar waardoor de ziel van het individu met het goddelijke kan worden verenigd.

Rozekruisersmystiek

De Rozenkruisers waren een 17e-eeuws geheim genootschap. Het was een esoterische stroming die tegelijkertijd met de christelijke theosofie van Boehme opkwam in Duitstalige landen. Christian Rosenkreutz zou de legendarische stichter zijn geweest. In anoniem gepubliceerde cryptische “manifesten” werd een nieuwe filosofie beschreven, gebaseerd op alchemie. De mythe van de Rozenkruisers vormde de inspiratie voor de 18e-eeuwse vrijmetselarij en voor de 19e-eeuwse geheime orde van de Golden Dawn.

18eEEUW : de Tegen-Verlichting

Dat de periode van de Verlichting uitsluitend beheerst werd door rationalisme, wordt weerlegd door de groei van geheime genootschappen in met name Frankrijk en Duitsland. Duitse historici die deze periode bestuderen gewagen zelfs van een “anti-Aufklärung”, waarmee ze de snelle verspreiding van vrijmetselarij, piëtisme en de neo-Rozenkruiserstroming in Duitsland bedoelen. De term Tegen-Verlichting werd gemunt door Isaiah Berlin om denkstromingen te benoemen die zich verzetten tegen de rationalistische en liberale denkbeelden van de Verlichting.

De vrijmetselarij was het vehikel voor de transfer van theosofische en alchemistische tradities. Met aanhangers in bijna elk land waar zij niet officieel verboden is, vormt vrijmetselarij de grootste geheime genootschap ter wereld. Vanuit enkele loges ontwikkelde zich de moderne symbolische of speculatieve vrijmetselarij, die in de 17e en 18e eeuw de (initiatie)rituelen en attributen van oude religieuze orden en ridderlijke broederschappen adopteerde. De nauwkeurig bewaarde geheimen van elke beroepsgroep over deze rituelen en symbolen plaatsen de vrijmetselarij in de traditie van het westers esoterisme. Een berucht aanhanger van de vrijmetselarij was de Italiaanse avonturier en magiër graaf Cagliostro (1743–1795).

Het illuminisme reageerde aan het einde van de 18e eeuw tegen het materialisme van de filosofen en droeg binnen het christendom het geloof uit in een bijzondere persoonlijke verlichting. De Franse visionaire filosoof Louis-Claude de Saint-Martin, die onder de invloed was van Emanuel Swedenborg, was een van de belangrijkste exponenten van het 18e-eeuwse filosofische illuminisme.

19e-EEUW: het occultisme

De twee belangrijkste stimuli tot vernieuwing van het 19e-eeuws westers esoterisme kwamen aanvankelijk uit het 18e-eeuwse werk van de Zweedse wetenschapper en mysticus Emanuel Swedenborg en de Duitse arts Franz Anton Mesmer.Swedenborgs ideeën inspireerden in de 19e en 20e eeuw schrijvers over spiritualisme, metafysica en occultisme. Mesmer was de uitvinder van de theorie en de praktijk van het “dierlijk magnetisme” dat later bekend werd onder de naam mesmerisme. Vanuit het mesmerisme ontstond het spiritualisme dat in Europa en de VS omstreeks 1850 enorm populair werd als tijdverdrijf, met bewust opgewekte somnambulistische trances en seances met geesten (poltergeisten).

Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw zouden veel esoterische tradities uit de middeleeuwen en de renaissance herontdekt en aangepast worden door individuen en groepen die ‘een derde weg’ zochten tussen het christendom en het positivisme van de moderne wetenschap. Eliphas Lévi was de voortrekker van het Franse occultisme. Met zijn boeken over magie en kabbala lag hij mee aan de basis van een heropleving van het occultisme. Daarin speelde ook Papus (Gérard Encausse) een grote rol. Bij de Engelstalige esoterici legde Helena Blavatsky met Isis Unveiled (1877) en The Secret Doctrine (1888) het fundament voor een nieuwe “occulte wetenschap”. De Theosophical Society die zij in 1875 in New York oprichtte, speelde een belangrijke rol in het verspreiden van het esoterisch gedachtegoed. De moderne theosofie werd uitgedragen door twee van haar discipelen, Annie Besant en Charles Webster Leadbeater. Rudolf Steiner gaf met zijn Antroposophical Society een meer christelijke interpretatie van de theosofie. In Engeland ontwikkelde de orde van de Golden Dawn een heel magisch systeem rond de kabbala en de sefirot, wat andere groepen inspireerde om ook eigen geheime ordes in het leven te roepen.

20e EEUW en heden

De 20e-eeuwse westerse esoterie levert een bijzonder eclectisch beeld op, met allerlei neopaganistische groepen, in navolging van het in Engeland omstreeks 1950 ontstane wicca, de nieuwe hekserij die vooral in Angelsaksische landen grote populariteit genoot.

De tegencultuur van de jaren zestig en zeventig vormde een vruchtbare bodem voor ideeën over een spirituele revolutie die de heersende cultuur zou transformeren en de mensheid zou binnenvoeren in het Aquariustijdperk. Deze ideeën bestonden reeds in theosofische kringen in Engeland en werden uitgedragen in de boeken van Alice Bailey (1880-1949). De term new age werd in de jaren tachtig in de media gebruikelijk om allerlei alternatieve stromingen en ideeën aan te duiden die waren gevormd uit een mix van westerse en oosterse spiritualiteit. Een andere loot aan de zich steeds verder vertakkende boom van westerse esoterie was het neopaganisme. Gerald Gardner was in de jaren vijftig de schepper van een nieuwe neoheidense religie, wicca, wat de aanzet zou vormen tot het ontstaan van verwante groepen zoals het Keltisch geïnspireerde druïdisme en het Germaanse odinisme.

Wat veel van deze neopaganistische groepen gemeen hebben, is een verlangen naar een hechtere band met de natuur en, daarmee samenhangend, de nadruk op een ecologisch meer bewuste levensstijl. Een ander typisch kenmerk van de huidige populaire vormen van westers esoterisme, is het syncretisch karakter: er wordt gewinkeld bij verschillende oudere (soms verkeerd begrepen) tradities, die vervolgens in eigen rituelen en theorieën worden opgenomen. De moderne media hebben gezorgd voor een ongekende verspreiding van esoterische ideeën, onder meer via films, games, populistische literatuur en het internet.

Verder lezen:“De drie traditionele wetenschappen”

(Dit artikel schreef ik eerst voor de Nederlandstalige Wikipedia)

J. Grandgagnage

De drie traditionele wetenschappen

De hoofdstromingen die binnen de westerse esoterie door esoterici “traditionele wetenschappen” worden genoemd, bestonden reeds in de oudheid, en werden vooral in de renaissance meer in samenhang bestudeerd. Ze zijn te vergelijken met rivieren die niet specifiek aan een bepaalde periode verbonden zijn en waaraan elke periode eigen invullingen geeft. Zelfs het 19e-eeuws sciëntisme slaagde er niet in om deze drie hoofdstromen te doen verdwijnen, en ook nu nog zijn ze persistent aanwezig.

Alchemie
Onder alchemie verstaat men een brede discipline die bestaat uit zowel natuurfilosofie als praktijk en (scheikundig) experiment. Het bekendste aspect van deze traditionele wetenschap is transmutatie, de omzetting van gewone metalen in zilver en goud (chrysopoeia) en de bereiding van een panacee, een levenselixir. De laatste decennia verschenen publicaties over alchemie door wetenschapshistorici en cultuurwetenschappers die nieuwe inzichten hebben gebracht over het fenomeen van de alchemie. Boeken en manuscripten die eeuwenlang ongelezen bleven worden nu vanuit hun historische context bestudeerd.

Alchemie moet in samenhang met astrologie worden bestudeerd, een oudere traditie die eveneens de relatie tussen mens en universum bestudeert. De symbolentaal van alchemie is voor een deel astrologisch, maar maakt ook gebruik van een eigen iconografie.

Astrologie
Astrologie is de traditionele wetenschap die de samenhang bestudeert tussen de stand van de hemellichamen en gebeurtenissen op aarde. Technieken, methodes en het achterliggend wereldbeeld van westerse astrologie worden met name beschreven in de Tetrabiblos van Claudius Ptolemaeus uit de 2e eeuw. Dit werk steunt dan weer op voorafgaande hellenistische tradities en uiteindelijk op de Babylonische astrologie.

Het maken van voorspellingen is slechts een aspect van astrologie; het belang voor de esoterie ligt vooral in de visie op mens en universum als zijnde onlosmakelijk verbonden, en de vooronderstelling dat inzicht in deze relatie – middels de juiste kennis en technieken – belangwekkende inzichten kan opleveren (zie ook Microkosmos en macrokosmos).

Magia
De derde traditionele wetenschap die binnen de westerse esoterie een belangrijke rol vervult, is magie of magia. In de periode van het renaissancehumanisme was er een heropleving van astrologie, hermetisme en neoplatonisme. De ‘occulte wetenschappen’ (een 19e-eeuwse benaming) werden enthousiast bestudeerd en uitgeoefend vanuit de visie dat het universum een organisch, sympathetisch geheel was waarin alle niveaus (micro- en macrokosmos) met elkaar verbonden en van elkaar afhankelijk waren. De visie van een ‘levend’ universum met verschillende niveaus van werkelijkheid vindt men bijvoorbeeld terug bij de Italiaanse renaissancehumanist Pico della Mirandola.

Shakespeare

378px-titlepagewilliamshakespearesfirstfolio1623.jpg

William Shakespeare (Stratford-upon-Avon,23 april 1564-Stratford-upon-Avon,23 april 1616) was een Engels dichter, acteur en toneelschrijver uit de 16e en vroege 17e eeuw die 400 jaar later nog steeds sterk tot de verbeelding spreekt. Shakespeare produceerde het grootste deel van zijn werk tussen 1586 en 1616, hoewel de exacte data en de chronologie van de stukken die aan hem worden toegeschreven vaak onzeker zijn. Hij wordt gerekend tot de weinige toneelschrijvers die hebben uitgeblonken in zowel de tragedie als de komedie. In zijn stukken combineert hij complexe karakterisering met poëtische grandeur en filosofische diepgang, die hij vaak contrasteert met het inlassen van clowneske scènes.

Ondanks het feit dat Shakespeares leven vrij goed gedocumenteerd is, blijft zijn figuur omgeven met mysterie. Sommigen betwijfelen zelfs of deze Shakespeare wel de auteur is van al die onvergankelijke komedies, historische stukken en en tragedies. Hoe dan ook worden zijn stukken nog steeds, zij het vaak in aangepaste, voor onze moderne smaak verteerbare versies opgevoerd. Zelfs mensen die niet echt iets van hem gelezen hebben, zijn vertrouwd met citaten als “To be or not to be, that is the question” (Hamlet), “A horse, a horse, my kingdom for a horse” (Richard III) en “”What’s in a name? That which we call a rose, by any other name would smell as sweet” uit Romeo and Juliet. Mogelijk zijn sommige versregels uit zijn sonnetten nog bekender, zoals “Shall I compare thee to a summer’s day”; Thou art more lovely and more temperate” uit Sonnet 18 en “My mistress’ eyes are nothing like the sun; Coral is far more red than her lips’ red” uit Sonnet 130. Zijn tijdgenoot Ben Jonson, zelf een groot toneelschrijver, bracht aan Shakespeare hulde met deze profetische woorden: “He was not of an age, but for all time.”

Leven

Shakespeares geboortehuis in Stratford

William Shakespeare werd in 1564 geboren in Stratford-upon-Avon, een gezellig stadje in het graafschap Warwickshire. Volgens de traditie zou dat op 23 april hebben plaatsgevonden, wat in 1616 ook zijn sterfdag was. Zijn vader, John Shakespeare, was een boer die zich opwerkte tot handschoenmaker. Hij huwde de katholieke Mary Arden, die uit een oude gerespecteerde middenklassefamilie kwam. Zo werd hij zelf ook een gerespecteerd burger en eigenaar van wat later het geboortehuis van Shakespeare (The Birthplace) zou worden. Hij werd lid van het gemeentebestuur, wethouder (schepen), en zelfs vrederechter. In zijn zucht naar maatschappelijke erkenning ging hij zelfs zo ver om een wapenschild (familiewapen) aan te vragen, iets waarvoor zijn zoon William uiteindelijk in 1596 zou zorgen. Het werd een wapenschild met het motto “Non Sanz droict”.

William werd in de lokale grammar schooli n Stratford geplaatst, waar hij Latijn leerde. We weten niet precies hoe lang hij daar bleef, waarschijnlijk verliet hij al op zijn vijftiende de school en kwam hij daarna als dorpsonderwijzer aan de kost. Het feit dat zijn vader John Shakespeare in 1578 in financiële problemen zat en zijn belastingen niet meer kon betalen zal daar waarschijnlijk wel voor iets tussen gezeten hebben. William werd verliefd en trouwde op zijn achttien jaar, in november 1582, met de acht jaar oudere Anne Hathaway. Anne baarde hem een dochter, Suzanne, op 26 mei van het volgende jaar. Toen kwam op 2 februari 1585 de tweeling, Judith en Hamnet. Hamnet, zijn enige zoon, overleed op elfjarige leeftijd. Zijn dochter Suzanne trouwde met Dr John Hall in 1607 en stierf in 1649. Judith trouwde met Thomas Quiney, en verdween in 1662. Shakespeare hield van zijn dochters. Dat weten we omdat hij hen een ereplaats gaf in zijn testament, dit in het nadeel van zijn vrouw Anne. Deze kreeg slechts zijn“second best bed”.

Shakespeare moet in Londen omstreeks 1592 al vrij bekend geweest zijn als acteur en toneelschrijver. Dat jaar haalde de toneelschrijver en academicus Robert Greene in zijn pamflet

Groats of Witteimmers woedend uit naar de man die hij een “Shake-scene” noemde en“een parvenu van een raaf die zich met andermans veren tooide”. Het is het eerste spoor dat we terugvinden van Shakespeare nadat hij in 1585 zijn vrouw in Stratford achtergelaten had. Het is niet duidelijk wat daar de aanleiding toe was, al lijkt het sterk op een vlucht uit Stratford. Mogelijk trok hij mee met een gezelschap van rondreizende acteurs. Er wordt gespeculeerd dat hij moest vluchten voor de toorn van Sir Thomas Lucy op wiens domein hij herten zou gejaagd hebben. Wat er voor de rest in de periode van de ‘lost years’ (tussen 1578 en 1592) is gebeurd met Shakespeare weten we verder niet. Het enige waar we zeker van zijn is dat hij in 1592 volgens Greene in Londen was en zijn naam al wat betekende in het milieu van toneelschrijvers.

Eens hij in Londen was, onderhield Shakespeare wel banden met Stratford, maar zijn professioneel leven speelde zich volledig af in Londen. Hij schreef en acteerde en was een zakenpartner in een van de belangrijkste acteursgezelschappen van dat ogenblik, the Lord Chamberlain’s Men, opgericht in 1594. Zij speelden aan het hof en in The Globe, hun eigen in 1599 gebouwd theater. Shakespeare deelde ook in de winst van de in 1603 opgerichte King’s Men. Vanaf 1608 gaven ze voornamelijk in de winter ook voorstellingen in het overdekte Blackfriar’s Theatre. In 1597 kocht Shakespeare van zijn opbrengst het grootste huis in Stratford,“New Place”. In 1601 stierf zijn vader, John Shakespeare, en toen ook zijn moeder Mary in 1607 stierf begon Shakespeare meer tijd door te brengen in Stratford. Zijn dochter Judith trouwde in februari 1616, en Shakespeare zelf stierf op 23 april 1616. Hij werd begraven in de Holy Trinity Church in Stratford waar nog voor 1623 een monument voor hem werd opgericht.

Oeuvre

Globe Theatre in Londen

Toneel

Historische stukken

Toen Shakespeare circa 1589 begon te schrijven voor het theater richtte hij zich op de geschiedenis van Engeland, met zijn drie stukken over Henry VI (1589-1592), de tragedie Richard II (1595) en het grootse historisch schouwspel Henry V (1599). Deze tragedies over monarchen die Engeland hadden geregeerd in de periode 1377-1485 zijn nu ook gekend als de koningsstukken.Het zijn niet langer louter verheerlijkende verhalen over Engeland: Shakespeare verkleint de afstand tussen de beroemde personages en het publiek door hen in al hun menselijkheid te tonen. De pen van Shakespeare brengt de fouten en deugden van de koningen tot leven voor de ogen van het publiek.

In de First Folio van 1623 werden de toneelstukken van William Shakespeare gegroepeerd in drie categorieën: ‘comedies’, ‘histories’ en ‘tragedies’. Deze categorisering is zowat standaard geworden, hoewel sommige critici hebben gepleit voor een vierde categorie, de romances. De historische stukken waren die stukken die gebaseerd waren op het het leven van Engelse koningen. De stukken die oudere historische figuren zoals Pericles, Prince of TyreJulius Caesar, en de legendarische King Lear afbeeldden werden niet opgenomen in deze groep. Macbeth, dat gebaseerd was op een Schotse koning, werd ook aangemerkt als een tragedie en niet als historiestuk. De bron voor het grootste deel van deze historische stukken is de 2e editie van Raphael Holinsheds Chronicle of English history uit 1587. Shakespeare wijkt echter van die kronieken af al naargelang het hem uitkomt en concentreert zich meestal op een korte episode uit het leven van deze historische koningen.

Henry IV, Part 1 – Henry IV, Part 2 – Henry V – Henry VI, Part 1 – Henry VI, Part 2 – Henry VI, Part 3 – Henry VIII – King John – Richard II – Richard III

Komedies

Titelpagina van de First Folio uit 1623

Shakespeares komedies gaan over liefde en huwelijk in soms sprookjesachtige settings. Zo is het huwelijk in

A Midsummer Night’s Dream het belangrijkste thema en het verhaal speelt zich af in ‘Fairyland’, waar we de liefdesperikelen volgen van Oberon en Titania, de koning en koningin van Fairyland. OokThe Taming of the Shrew gaat over liefde en huwelijk, deze keer met de huwbare, maar koppige koningsdochter Katherine die uiteindelijk haar ‘meester’ zal vinden in een zekere Petrucio. Shakespeare schrijft meesterlijke komedies met ingewikkelde plots, vreemde personages en onverwachte wendingen, steeds in een onnavolgbare humoristische, poëtische stijl. Sommige van zijn komedies zoals Measure for Measure en All’s Well That Ends Well vormen een vreemde mix van humor en tragedie, waardoor ze ook al eens als ‘problem plays’ getypeerd worden.

All’s Well That Ends Well – As You Like It – The Comedy of Errors – Love’s Labour’s Lost – Measure for Measure – The Merchant of Venice – The Merry Wives of Windsor – A Midsummer Night’s Dream – Much Ado About Nothing – The Taming of the Shrew – The Tempest – Twelfth Night – The Two Gentlemen of Verona – The Two Noble Kinsmen – The Winter’s Tale

Tragedies

Shakespeare schreef al tragedies van in het begin van zijn carrière. Een van zijn vroegste was de Romeinse tragedie

Titus Andronicus(ca. 1590), die een paar jaar later werd gevolgd door Romeo and Juliet. Zijn meest bewonderde tragedies schreef hij echter in een periode van zeven jaar, tussen 1601 en 1608. Deze omvatten zijn vier grote tragedies HamletOthelloKing Lear en Macbeth, samen met Antony and CleopatraCoriolanus, het minder bekende Timon of Athens en Troilus and Cressida. Een Shakespeareaanse tragedie zou men kunnen beschrijven als een vijfakter die eindigt met de dood van de belangrijkste personages. Elk van deze stukken draait om één tragische hoofdrolspeler zoals Hamlet, King Lear, Othello en Macbeth die Shakespeare zo levendig beschrijft dat de toeschouwer intens meeleeft met zijn tragische, vaak zelfgekozen lot.

Antony and Cleopatra – Coriolanus – Cymbeline – Hamlet – Julius Caesar – King Lear – Macbeth – Othello – Pericles, Prince of Tyre – Timon of Athens – Romeo and Juliet – Titus Andronicus – Troilus and Cressida

Poëzie

Shakespeare bekommerde zich er niet erg om of zijn werk werd gepubliceerd. Uitzonderingen daarop waren de lange erotische gedichten

Venus and Adonis, gepubliceerd in 1593, enThe Rape of Lucrece dat in 1594 verscheen. Beide gedichten waren opgedragen aan zijn beschermheer, de jonge Henry Wriothesley, 3e graaf van Southampton. Eigenlijk is het enige werk na 1594 waar hij zelf bij de publicatie betrokken was het allegorische gedicht The Phoenix and the Turtle dat in 1601 in een bloemlezing werd opgenomen. De 154 sonnetten die Shakespeare in de loop van vele jaren had bijeen geschreven werden in 1609 evenmin onder zijn toezicht uitgegeven. Ze behandelen in het algemeen de thema’s tijd, liefde, vergankelijkheid en schoonheid. Rondom de sonnetten blijft een waas van mysterie bestaan. Wie was bijvoorbeeld de ‘Dark Lady’ die in de expliciet seksuele sonnettenreeks 127 tot 152 wordt toegesproken?

Sonnetten van Shakespeare – The Rape of Lucrece – The Phoenix and the Turtle – Venus and Adonis – To be or not to be – A Lover’s Complaint – The Passionate Pilgrim

Shakespeares grafmonument in Stratford-upon-Avon

Verder lezen


TIP : bezoek Shakespearevertalingen voor vrij beschikbare Nederlandse vertalingen van Shakespeares werk.

Nederlandstalige literatuur

Vooraf

Overwegingen die bij het samenstellen van een artikel over Nederlandstalige literatuur gemaakt kunnen worden zijn de volgende:

Niet elke auteur en elk werk heeft een even grote invloed uitgeoefend op de wegen die in de literatuur bewandeld zijn, en dat bepaalt mee de keuze van de auteurs die besproken worden. Want er moet gekozen worden: elk jaar verschijnen er alleen al op de Nederlandstalige markt honderden nieuwe boeken en komen er nieuwe auteurs voor het voetlicht.

Wisselende literatuuropvattingen : literatuuropvattingen zijn ook aan mode onderhevig, en wat in de tijd van de rederijkers als grote kunst of grote literatuur gold, wordt vandaag misschien als rijmelarij afgedaan. We zijn allemaal gewoon kinderen van onze tijd en kijken door een gekleurde bril, of we het nu willen of niet.

Wanneer is een tekst literair? Of: wanneer wordt een tekst eigenlijk als “literair” beschouwd en wat zijn daar de criteria voor? In de praktijk noemen we teksten “literair” omdat ze door gezaghebbende literatuurwetenschappers van hogere waarde worden geacht dan andere teksten. Het is met andere woorden geen waardevrije term, maar eerder subjectief en evoluerend met de tijd. Degenen die beslissen of een tekst literatuur is en wat dus tot de literaire canon van een taal mag worden gerekend, zijn critici, uitgevers en andere literatoren die samen het tijdelijke beeld over literatuur bepalen. Door de beperkte houdbaarheid van literaire opvattingen krijgen bloemlezingen in verschillende perioden dan ook soms een heel andere nadruk en inhoud.

Het eerste Nederlands: de Middeleeuwen

Middeleeuwse Nederlandse literatuur is de Nederlandstalige literatuur van de Lage Landen vanaf de eerste als Nederlands herkenbare literaire schrijfsels tot de zestiende eeuw.

Bij deze definitie moet meteen een kanttekening geplaatst worden. In de vroegste stadia van de Nederlandse taal was er sprake van een grote mate van ‘onderlinge verstaanbaarheid’ van wat we nu Germaanse dialecten noemen. Vandaar dat sommige fragmenten en auteurs ‘geclaimd’ worden door zowel de Nederlandse als de Duitse literatuur. Een goed voorbeeld hiervan is de 12e-eeuwse dichter Hendrik van Veldeke, die in beide taalgebieden geëerd wordt als de auteur die aan de wieg stond van hun eigen literatuur.

Doorgaans wordt de middeleeuwse Nederlandse literatuur als volgt ingedeeld:

De periode van de adellijke letterkunde : 1100-1300 met de bloei van de hoofse cultuur. De literatuur vertolkt de idealen van de adel. Het is de periode van de ridderromans . Belangrijke (Middelnederlandse) auteurs:
Hendrik van Veldeke (de sint Servaeslegende, de Eneasromn, liefdeslyriek ), de anonieme schrijvers van het Roelantslied, Renout van Montalbaen, Ferguut, Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede, de anonieme auteur ‘Willem die Madoc maakte’ van Van den vos Reinaerde, Hadewijch, Jacob van Maerlant ( Der naturen bloeme,Rijmbijbel, Historie van Troyen) e.a.De periode van de burgerlijke letterkunde : 1300-1550 waarin door de economische groei van de steden ook rijke burgers belangrijke opdrachtgevers en lezers worden. In deze periode is vooral een opleving van toneel opvallend. Belangrijke (Middelnederlandse) auteurs:
Jan van Boendale ( Lekenspiege l), Jan van Ruusbroec (traktaten zoals Van seven trappen in den graed der gheesteleker minnen ), door anonieme auteurs geschreven waren Beatrijs , Elckerlijc , Mariken van Nieumeghen , abele spelen zoals Gloriant, Lanseloet van Denemerken en Vanden Winter ende vanden Somer , rederijkers zoals Anna Bijns e.a.

In werkelijkheid is er geen sprake van een strikte begrenzing, want ook in de eerste periode waren er burgerlijke opdrachtgevers, net zoals de adel in de volgende periode een belangrijke rol bleef vervullen.

Oudnederlands en Middelnederlands

De twee oudste pennenvruchten in een taal die we als Nederlands kunnen herkennen zijn geschreven in het Oudnederlands. Het gaat hier om het ‘Hebban olla Volgala’ en de Willeram. Het verschil met het latere Middelnederlands zit hem in de klinkerkleuring: in het Oudnederlands krijgen lettergrepen zonder accent nog een a of o in deze lettergreep. Een voorbeeld hiervan is ‘hebban’ ’n ‘vogala en hagunnan’. Deze klinkerkleuring was typisch voor West-Germaanse dialecten. De overgang tussen Oudnederlands en Middelnederlands is gesitueerd omstreeks 1150.

Het tot dusver als oudst aangemerkte 6e-eeuwse “Nederlandse” – eerder Oudnederfrankische – zinnetje ‘Maltho thi afrio lito’ is voor moderne sprekers van het Nederlands moeilijk te begrijpen. Het betekent [Ik] meld: [ik] bevrijd je, laat. Het ging hier om een formule die werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat, een halfvrij persoon.

Het begin: een verliefde scribent?

Het 11e-eeuwse “Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat unbidan uue nu” ‘ levert al wat minder problemen op. Dit intrigerende zinnetje werd meer dan 900 jaar gelden in de marge van een Latijns manuscript geschreven, waarschijnlijk door een verliefde West-Vlaamse scribent die in het klooster van Rochester in Kent werkte. Het gaat hier vermoedelijk om een probatio pennae, een penneprobeersel om een nieuw gesneden pen te testen. Nu wordt het in Oxford bewaard, waar het in 1932 werd ontdekt.

Hoe dan ook is dit lyrisch klinkende ‘Alle vogels hebben nestjes begonnen behalve ik en jij, wat wachten we nu’ als eerste echt literaire tekst meteen een mooi begin van de Nederlandse literatuur…

Wachtendonckse Psalmen

Het 10e-eeuwse psalmenboek de Wachtendonckse Psalmen is geschreven in een Oudgermaans dialect. Het is ook het eerste geschrift waar we het Nederlandse woord ‘boek’ in terugvinden, gespeld als ‘buok’. De tekst is genoemd naar de 16e-eeuwse kanunnik Arnold Wachtendonck die het manuscript in zijn bezit had toen Justus Lipsius het voor studiedoeleinden leende. Toen Lipsius de Latijnse teksten bestudeerde, werd zijn interesse gewekt door de Nederlandse vertalingen die erboven stonden. Het ging hier dus om een studieboek waar de monniken en nonnen gebruik van maakten in de lessen Latijn. Jammer genoeg kunnen we het originele manuscript niet meer bestuderen. Degene die het als eerste bestudeerd heeft, Lipsius, heeft het merkwaardig genoeg ook verloren. Gelukkig heeft hij tijdens zijn studie een aantal van de psalmen overgeschreven. Al wat ons rest zijn dus kopieën. Aangezien de drukkunst nog niet bestond, werden boeken ‘overgeschreven’ en in dat overschrijven slopen bijna onvermijdelijk ook fouten. De oorspronkelijke tekst van het psalmenboek kon dus alleen gedeeltelijk gereconstrueerd worden door de verschillende kopieën met elkaar te vergelijken. Wat rest zijn enkele psalmen, en een interlineaire lijst met Latijnse woorden en hun Oudnederlandse vertaling. Het eerste boek: de Willeram

Willeram

De titel van het eerste echte boek in het Nederlands gaat echter niet naar de Wachtendockse Psalmen, ook al zijn die twee eeuwen ouder. De ‘Psalmen’ zijn immers geen originele handschriften, maar kopieën uit de 16e eeuw. De titel van oudste Nederlandstalig manuscript gaat dus naar De Leidse Willeram, ook wel Egmondse Willeram of Williram genoemd. Het dateert uit circa 1100 en is dus in het Oudnederlands geschreven.

De ‘Willeram’ is een Oudnederlandse bewerking van Williram von Ebersbergs commentaar op het Hooglied. Williram was de abt van het Beierse klooster Ebersberg en schreef het boek in een Hoogduits dialect. De Hollandse kopiist ‘vernederlandste’ de tekst door Hoogduitse woorden te vervangen door noordwestelijke Nederlandse woorden. Ook de verbuiging van de werkwoorden en de spelling paste hij aan. De tekst bevat ongeveer 9500 woorden, waardoor het de langste overlevende tekst is in het Oudnederlands.

Hendrik van Veldeke

Veldeke, in de 14e-eeuwse Codex Manesse

Na de fragmenten en vertalingen van de vroege teksten begint de eigenlijke literaire fase van de Middelnederlandse literatuur met de Limburger Hendrik van Veldeke. Als er iemand de titel van

Vader van de Nederlandse literatuurverdient dan is het deze Maaslander. Hendrik van Veldeke werd omstreeks 1150 geboren in Veldeke, een gehucht dat nu in Belgisch Limburg ligt. Zijn heiligenleven‘Sente Servaes’schreef hij in het dialect van zijn streek, het Maaslands. Hiermee had hij trouwens een primeur beet, want hij was de eerste Europese schrijver die we van naam kennen die niet in het Latijn maar in een volkstaal schreef! Een volgend bekend werk van hem, de aan een Frans voorbeeld ontleende hoofse romanEneas, had hij zo geschreven dat het zowel begrijpelijk was voor lezers die Hoogduits spraken als voor de Maaslanders. Dat deed hij door zijn rijmwoorden heel zorgvuldig uit te kiezen. Slimme zet, want zijn lezersmarkt verdubbelde in één klap. Zijn Eneasroman droeg hij op aan de gravin van Kleef, die hij met lovende woorden beschreef als”De milde en de goede… die vorstelijk kon geven.”

Hij had ook kunnen schrijven

“…die verdorie mijn manuscript 10 jaar geleden verloren legde!”, want dat was er precies gebeurd. Van Veldeke was als entertainer uitgenodigd op het trouwfeest van gravin van Kleef met landgraaf Lodewijk III van Thuringen. Als dichter had hij, tussen de acrobaten, muzikanten en zangers, de taak om wat verfijnder vertier te brengen. Hij legde zijn manuscript voor aan de bruid, maar die liet het pikken door een broer van haar ega. Van Veldeke was er de put van in en stopte gewoon met werken aan de Eneasroman, tot 9 jaar later paltsgraaf Herman, een broer van de intussen morsdode dief, hem vrolijk het manuscript terugbezorgde! Ergens omstreeks 1186 klaarde hij uiteindelijk toch de klus.

Van Veldeke stond ook aan de wieg van de Duitse literatuurgeschiedenis. Over hem werd met veel respect gezegd:

“Hij entte de eerste tak op de boom van de Duitse literatuur.”

Vooral als minnezanger werd hij gewaardeerd. Zowat 30 minneliederen werden van hem opgenomen in verschillende ‘Liederhandschriften’ uit de 13e tot de 15e eeuw.

En nu de hamvraag: kunnen die liederen en de Eneasroman, de hoofdzakelijk in Hoogduitse handschriften zijn overgeleverd, wel tot de

Nederlandse literatuurgerekend worden? Ja en nee. In de middeleeuwen werd, vooral in het Maasland dat tussen twee culturen in gelegen was nog niet zo’n onderscheid gemaakt tussen Nederlands en Duits. Van een soort ‘cultuurgrens’ in het Maas-en Rijngebied was geen sprake.

Zowel in Hasselt als in Maastricht staat er nu een standbeeld van hem, als eerbetoon aan de eerste succesrijke schrijver in het Nederlands.

Ridderromans

De eerste ridderromans in het Nederlandse taalgebied ontstonden eveneens in het Maasland. Bekende voorbeelden zijn de Trierse Floyris, de Limburgse Aiol en de Nederfrankische Tristan. Hoewel het graafschap Vlaanderen op alle vlakken ver vooruit was op de andere streken van de latere Nederlanden, ontstond hier toch pas in de 13e eeuw een volkstalige ridderroman. Ridderromans waren overigens geen “romans” in de moderne zin van het woord, maar lange, berijmde gedichten in de volkstaal. Vaak is de stof internationaal: vertaald en bewerkt uit het Frans of het Engels. De romans gaan over noeste strijders, over de toewijding tot verheven dames, over de klassieke oudheid of over het oosten. Ze zijn naar hun thematiek in vier groepen te verdelen:

de voorhoofse Frankische of Karolingische romans, waarin Karel de Grote een centrale rol speelt ( Karel ende Elegast , Roelantslied , Renout van Montalbaen) ;
de iets jongere Brits-Keltische romans of Arthurromans ( Ferguut , Walewein );
de klassieke romans, zoals die door Jacob van Maerlant werden vertaald;
de oosterse romans ( Floris ende Blancefloer, Parthenopeus van Bloys (fragmenten)).

Middelnederlandse mystiek

Vaak wordt er naar deze fase uit de Nederlandse literatuur verwezen als

de Middelnederlandse vrouwenmystiek. Daar is veel voor te zeggen, want het waren in hoofdzaak twee vrouwen die de toon zetten bij deze mystieke teksten: Hadewijch en Beatrijs . Beiden schreven, de een als begijn, de ander als non, hun mystieke ervaringen op met een duidelijk didactisch doel: hoe nog in dit leven God kon worden ervaren. Daarmee verschilden ze van de reguliere kerk die pas heil beloofde in een leven na de dood. Mystieke ervaringen van vrouwen – een vorm van extase en overgave die gepaard ging met verlies van zelfcontrole – werden door de toenmalige katholieke kerk dan ook slechts argwanend geduld.

Belangrijkste vertegenwoordigers:

Beatrijs van Nazareth was een 13e eeuwse Vlaamse cisterciënzernon die beschouwd wordt als de allereerste prozaschrijver in de Nederlandse taal. Als mystica schreef ze haar leer neer in Van seven manieren van heiliger minnen . Beatrijs werd in 1200 geboren in Nazareth nabij Lier als dochter van welgestelde ouders. Ze genoot een goede opvoeding, leerde Latijn en ging dan in 1215 in het klooster van Bloemendael bij de Cisterciënzers. Vanaf 1236 verbleef ze in het klooster Nazareth bij Lier, waar ze ook haar naam aan ontleent. Daar werd ze ook priores. Aan haar wordt het oudste Nederlandse proza toegeschreven dat volledig aan ons is overgeleverd. Ze schreef in het Nederlands ook over haar eigen leven in een reeks autobiografische nota’s. In haar verhandeling In Van seven manieren van heiliger minne (ca. 1240) beschrijft ze zeven trappen en soorten van liefde waarbij de hoogste trap de eenmaking met God is. Vandaar dat er ook wordt gesproken over Beatrijs’ bruidsmystiek .
Hadewijch was een 13e-eeuwse dichteres en mystica die waarschijnlijk in het hertogdom Brabant woonde en leefde. Vaak wordt er naar haar verwezen alsHadewijch van Antwerpen. De teksten die we van haar hebben zijn in een Brabantse variant van het Middelnederlands geschreven. Hadewijch schreef zowel poëzie als proza. Van haar leven is eigenlijk weinig met zekerheid bekend. Gezien haar goede opleiding wordt verondersteld dat ze afkomstig was uit een adellijke familie. Mogelijk bracht ze een deel van haar leven door in Nijvel. Wat wel zeker is, is dat haar literaire bloeiperiode viel in de eerste helft van de 13e eeuw. In een van haar brieven zegt ze zelf dat ze zich vanaf haar elfde levensjaar volledig ging wijden aan de dienst van de “liefde”. Hiermee bedoelt ze niet de wereldlijke liefde, maar de liefde voor God. In haar geschriften benadrukt zij dat de menselijke ziel geschapen is naar het beeld van God, waardoor er nog tijdens het leven een intieme relatie met God mogelijk is. De ziel streeft er immers naar om terug herenigd te worden met haar oorsprong. Wat Hadewijch leerde viel niet in goede aarde bij de gevestigde leer van de kerk. Die stelde immers dat pas na de dood iets van een eeuwig leven mogelijk zou worden. Hadewijch zegt echter dat reeds op aarde dit eeuwige leven een aanvang neemt, en het is de de liefde die dit mogelijk maakt: “Van minnen es men God worden”. Hadewijchs werken: Brieven, Mengeldichten, Strofische gedichten, Visioenen.

Jan van Ruusbroeck was een van de grootste Vlaamse mystieke schrijvers. Hij werd in 1294 geboren te Ruusbroec aan de Zenne ten zuiden van Brussel. Op 11-jarige leeftijd ging hij in Brussel studeren bij een verre verwant, Jan Hinckaert, kanunnik van Sint-Goedele. Deze onderwees hem in theologie en filosofie. Van Ruusbroeck werd in 1317 tot priester gewijd en was tot 1343 kapelaan aan de kerk van St. Goedele. Toen ging hij met Hinckaert en Coudenberch naar een ‘kluis’ (kluizenaarsverblijf), het latere klooster Groenendael in het Zoniënbos waar hij zich overgaf aan het werkend en het schouwend leven. Tijdens zijn verblijf in Brussel had hij reeds Die Chierheit der gheesteleker Brulocht (1350) voltooid.daarop volgde in 1359 Spieghel der ewigher Salicheit , naar verluidt geschreven op verzoek van een non van St. Clara. Onder zijn werken wordt Van den gheestelijken Tabernacule het belangrijkste geacht; het is een voorstelling van van het mystieke ‘schouwende leven’, met name van de vereniging met God. Het Boec van seven Trappen wijst de opgang naar de zaligheid der beschouwing. Jan van Ruusbroec stierf op 2 december 1381 in Groenendaal. Ruusbroec schreef zijn werken in een onvermengd Brussels Diets, met weinig Latijnse of Waalse woorden. Nog tijdens zijn leven werden ze al in het Latijn vertaald zodat ze ook buiten de landsgrenzen konden worden gelezen. Rond 1350 las men in Zuid-Duitsland al zijn hoofdwerk Die geestelike brulocht (ca. 1335) in het Duits.
Jacob van Maerlant werd geboren in de buurt van Brugge, ergens tussen 1230-1240, en stierf in Damme ca. 1288-1300. Hij was de grootste Vlaamse dichter van de dertiende eeuw en een van de belangrijkste Middelnederlandse auteurs. Vermoedelijk was het de prestigieuze kapittelschool van Sint-Donaas te Brugge waar de jonge Jacob de kennis en vaardigheden verwierf waar hij de rest van zijn leven als dichter zou uit blijven putten.Van Maerlant zag het als zijn levenstaak om een publiek van adellijke leken in te wijden in kennis die tot dan toe alleen was voorbehouden aan geestelijken. Hij wilde zowel een ernstig auteur zijn als een leermeester. Zijn werk is bijzonder omvangrijk en hij wordt dan ook terecht beschouwd als de meest productieve van alle Middelnederlandse, in de volkstaal schrijvende dichters. Om dergelijk uitgebreid oeuvre te kunnen schrijven (zo’n 230.000 verzen in totaal, verspreid over 10 werken) moest hij kunnen rekenen op rijke opdrachtgevers. Dankzij de baantjes die ze hem bezorgden kon hij zich volop wijden aan zijn letterkundig werk. Zo is bekend dat hij onder meer koster van het Sint Pieterskerkje te Maerlant (op het tegenwoordige Voorne, den Briel) was en schepenklerk te Damme (al is dat laatste niet 100% zeker). Een van zijn machtigste en bekendste opdrachtgevers was de Hollandse graaf Floris V. Voor dat adellijk publiek, onder meer voor de Zeeuwse edelen rondom de graaf, schreef hij ‘schoolboeken’ over allerlei onderwerpen. Zowat alles kwam aan bod: geografie, biologie, geneeskunde, de klassieke geschiedenis (Troje, Alexander, Rome, koning Artur)… Op het einde van zijn loopbaan zou van Maerlant een groots opgezet historisch werk schrijven, de Spieghel Historiael , dat de gehele geschiedenis vanaf de schepping tot de eerste kruistocht behandelt. Voor hij aan dat werk begon had hij de Rijmbijbel geschreven, (met bijna 35.000 verzen) dat de Bijbelse geschiedenis als thema heeft. Daarvoor boorde hij zowat alle bronnen aan die hij te pakken kon krijgen. Zo maakte hij zeker gebruik van de Historia scholastica dat theologiestudenten onderwees in de geschiedenis van de achtergronden van de Schrift. Van hem zijn vooral volgende werken bekend:

*de Rijmbijbel, een bewerking van de

Historia scolasticavan Petrus Comestor

*de Spieghel historiael, waarin hij geschiedenis voorstelt als een spiegel van goed en slecht gedrag

Van den vos Reynaerde

Van den vos Reynaerde(vanWillem die Madocke maecte) vormt een hoogtepunt in de Middelnederlandse literatuur. Het omstreeks 1260 geschreven gedicht zet het genre van de Karel-en Arthurepiek op zijn kop door dieren als personages ten tonele te voeren in een door de sluwe vos Reinaert gemanipuleerde feodale wereld. Het is een van de weinige Middelnederlandse werken die in het Latijn werden vertaald (gewoonlijk was het andersom!)

Religieus en wereldlijk toneel

Toneelactiviteiten speelden zich voornamelijk af in een stedelijke omgeving voor een burgerlijk publiek. Onderscheid wordt gemaakt tussen religieuze spelsoorten als mysteriespel, mirakelspel en moraliteit enerzijds, en wereldlijk toneel onder de vorm van abele spelen, kluchten (

sotternieën) en esbattementen anderzijds. Zowel in de ernstige als komische stukken ziet men de burgerlijke moraal doorschemeren in opvattingen over bijvoorbeeld standenverschillen, huwelijk en seksualiteit. Enkele wereldlijke stukken bekend uit het handschrift Van Hulthem (1410):

Abele spelen: Esmoreit , Gloriant , Lanseloet van Denemerken , Vanden Winter ende vanden Somer

Kluchten: Lippijn , De Buskenblaser , Die Hexe , Rubben

Late middeleeuwen: de rederijkers

Rederijkerswaren amateur-dichters en voordrachtkunstenaars die zich in de late middeleeuwen gingen organiseren in verenigingen. Ze spiegelden zich daarbij aan al bestaande broederschappen uit Artesië. De eerste Nederlandstalige ‘kamers’ ontstonden in Vlaanderen. De vroegste, voor zover wij weten, was ‘Alpha en Omega’ uit Ieper. Pas na de val van Antwerpen (1588) onder de Spaanse Furie begon de bloeiperiode van de rederijkerij in Holland. In de Zuidelijke Nederlanden werden te kritische rederijkers door de Spaanse bezetters immers opgepakt en vermoord zodat heel wat schrijvers uitweken naar het noorden.

De leden van deze verenigingen noemden zich naar Frans voorbeeld

rhétoriqueurs. Tegen het einde van de 15e eeuw hadden deze gezelschappen ‘vander Rethorique’ vooral in Vlaanderen een aanzienlijke culturele en maatschappelijke macht verworven. Later volgden ook Brabant, Zeeland en Holland. Er werden onder meer dichterswedstrijden ingericht waarbij de vorm van het gedicht onderworpen was aan strenge regels. Behalve de populaire ballade waren ook andere dichtvormen zoals het rondeel, het ketendicht en het achrosticon erg in trek. Tijdens ‘landjuwelen’ gingen de verschillende rederijkerskamers met elkaar in competitie.

Deze ‘kamers’ zouden de Nederlandstalige literatuur vanaf de 15e tot een stuk in de 16e eeuw beheersen. Bijna iedereen die zich met literatuur bezighield werd lid van een rederijkerskamer of was er nauw bij betrokken. Zo schreef Joost van den Vondel na de stichting van “Den Amsterdamschen Schouwburg” (de bekroning van het rederijkersleven) in 1637 zijn

Gijsbreght van Aemstelvoor de inwijding van dit eerste Nederlandse nationale theater.

Mogelijk de bekendste en talentrijkste ‘rederijker’ was de Antwerpse dichteres Anna Bijns , die meesterlijke “refereinen” (gedichten) schreef die met de beste van de rederijkers kon wedijveren. Waarschijnlijk zal ze omwille van haar sekse echter geen lid geweest zijn van een rederijkerskamer. Het verbitterde haar dat ze ondanks haar kunst geen aanspraak kon maken op de status van rederijker. Het verplichtte haar ook om aan minder hoogstaande evenementen deel te nemen, waar het publiek niet altijd even fijngevoelig was. In een variant van ‘parels voor de zwijnen zei ze in een ‘refreyn’ hierover:

“Tes verlooren Rosen voor soghen ghestroydt”

Andere bekende rederijkers waren de dichter Anthonis de Roovere die in Brugge op 17-jarige leeftijd tot ‘Prince’ werd verkozen, en Peter van Diest, de auteur van de succesrijke moraliteit

Elckerlijc.

Renaissance

De cultuurbeweging die in de 14e eeuw in Italië was begonnen

(de Italiaanse renaissance)kenmerkte zich door een grote interesse voor de klassieke Griekse en Romeinse auteurs en het navolgen en commentariëren van die auteurs in de (Toscaanse) volkstaal. Tegen omstreeks 1550 leek de renaissance in de volkstaal ook in de Lage Landen te zijn doorgedrongen. Ook in onze literatuur kreeg het wereldlijke meer aandacht dan tevoren, en noordelijke humanisten als Erasmus genoten onder Europese intellectuelen veel aanzien. Kenmerken van deze periode zijn:

wereldse thematiek wint veld tegenover bijbelse symboliek
invloed van het humanisme (en klassieke auteurs) en de reformatie
beoefening van nieuwe genres zoals tragedie, embleem, sonnet, martelaarsliederen en geuzenliederen

Na 1585 (de verovering van Antwerpen door de Spanjaarden) ontstond een breuk tussen noord en zuid. In de 17e eeuw beleefde de Republiek een ‘Gouden Eeuw’, terwijl het zuiden de katholieke invloed van de contrareformatie onderging. De literatuur in de Zuidelijke Nederlanden behield daardoor een hoofdzakelijk rooms-katholiek karakter.

Belangrijke literaire auteurs uit deze periode zijn onder meer Pieter Corneliszoon Hooft, Jan van der Noot, Dirck Volkertsz. Coornhert, Gerbrand Adriaensz. Bredero, Constantijn Huygens, Jacob Cats en Joost van den Vondel.

Frans-classicisme

Ook het Frans-classicisme inspireert zich op klassieke auteurs. In deze stroming werd navolging echter verbonden aan strengere regels en het classicisme streeft naar het voorbeeld van eigentijdse Franse schrijvers als Pierre Corneille ook een grotere helderheid na. In de Nederlanden kan 1669 als begindatum van het classicisme worden vooropgesteld. Dat jaar werd immers het eerste classicistisch dichtgenootschap Nil Volentibus Arduum

(Niets is onmogelijk voor hen die willen)opgericht.

Belangrijke auteurs uit deze periode zijn onder meer Andries Pels, Pieter Langendijk, Jan Luyken en Hubert Kornelisz. Poot. Voorbeelden van toneelstukken uit deze periode:

Achilles (1719) van Balthazar Huydecoper, een tragedie in Frans-classicistische stijl.

Eneas en Turnus (1705) van Lucas Rotgans wordt beschouwd als het beste voorbeeld van een klassiek drama in het Nederlands. [2]Het Wederzijds Huwelijksbedrog (ca. 1714), een komedie van Pieter Langendijk.

Verlichting ca. 1730 – ca. 1800

Een van de bekendste werken uit deze periode was Willem van Harens episch gedicht

Frisouit 1741 waarin hij het lot beschrijft van de legendarische eerste koning der Friezen. In zijn portrettering van Friso toont Van Haren zich een ware discipel van het 18e eeuwse rationalisme en van de Verlichting. Friso is het prototype van de moderne koning, de verlichte vorst die bij het bestuur van zijn land slechts aanvaardt wat de rede hem ingeeft. Zijn tijdgenoot Willem Bilderdijk zou met verve deze vorm van rationele en verlichte literatuur bestrijden en in de periode van de romantiek wedijveren voor een meer christelijk geëngageerde literatuur.

Na 1750 werden veel literaire genootschappen opgericht, en daar begon voor de meeste schrijvers ook een carrière in de letteren. Als nieuw genre uit deze tijd kunnen de

spectatorsgenoemd worden, weekbladen die de middenklasse als doelpubliek hadden, en dezedenkundige briefroman.

De belangrijkste auteurs en teksten uit deze periode waren:

Justus van Effen (1684-1735) importeerde de formule van de ‘spectators’ uit het buitenland. In 1731 verschijnt het eerste nummer van de Hollandsche Spectator .
Hiëronymus van Alphen (1746-1803), vooral bekend om zijn kindergedichten in de bundel Proeve van kleine gedigten voor kinderen uit 1778.
Betje Wolff (1738-1804) die zowel apart als samen met haar vriendin Aagje Deken publiceerde. Van hun zedenkundige briefromans is vooral Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart uit 1782 bekend geworden.
de Zeeuwse dichter Jacobus Bellamy (1757-1786) publiceerde (anoniem) Gezangen mijner jeugd (1782) en het patriottistische Vaderlandsche gezangen van Zelandus (1783).
Rhijnvis Feith (1753-1824) werd bekend als criticus en als sentimenteel auteur van de roman Julia uit 1783.

Overgangsfase 1800 – 1820

In deze periode loopt de Verlichting ten einde en wordt de invloed van de romantiek sterker. Vooral het zuiden had geleden onder het Frans Napoleontisch bewind (1790-1813). Theaters die Nederlandse stukken opvoerden werden gesloten, Nederlandse boeken en tijdschriften waren verboden en het onderwijs werd bijna volledig verfranst. Pas na het vertrek van de Franse bezetters in 1813 bloeide het letterkundig leven terug op. Literatuur in die tijd was veelal te beluisteren in genootschappen en sociëteiten waar werd voorgedragen. Er bloeit een vorm van nationalisme op, die expressie vindt in gedichten als

Wien Neerlands bloedvan Hendrik Tollens en zeer uitgesproken inDe Hollandsche natievan Jan Frederik Helmers.

Romantiek ca. 1820 – ca. 1840

Poëzie is eenzelvig. Zij is uitstorting van overstelpend gevoel

— Bilderdijk

De romantische beweging was in de Lage Landen veel minder uitgesproken dan bijvoorbeeld in Engeland. De Nederlandstalige auteurs werden vooral beïnvloed door Engelse romantici als Walter Scott en Lord Byron. De Nederlandse literatuur begeeft zich in deze periode op twee paden: sommigen volgden Willem Bilderdijk en Het Réveil, anderen werden vooral geïnspireerd door Walter Scott en zijn historische romans. Auteurs in dit laatste genre waren onder meer Aernout Drost , Jacob van Lennep, Jan Frederik Oltmans, A.L.G. Bosboom-Toussaint, en in Vlaanderen Hendrik Conscience. In deze periode ontstond ook het literair tijdschrift De Gids (1837 tot heden).

Enkele belangrijke auteurs:

Willem Bilderdijk (1756-1831) liet een oeuvre na van ongeveer 300.000 versregels. Zijn werk onderging duidelijk de invloed van de romantiek.
Isaäc da Costa (1789-1860), een leerling van Bilderdijk; ook zijn poëzie is doordrenkt van religieuze gevoelens.
de dichters Hendrik Tollens en Jan Fredrik Helmers (de dominee-dichters )
de prozaschrijver David Jacob van Lennep en zijn zoon Jacob van Lennep.
schrijvers van historische romans zoals Margaretha de Neufville met De Schildknaap (1829), en Hendrik Conscience met De Leeuw van Vlaanderen of de slag der gulden sporen (1838).

Een groep van dichters, onder wie J.J.L. ten Kate en A. Winkler Prins zich het actiefst toonden, verzetten zich tegen het gedweep met het romantisme. In hun volledig in versvorm geschreven satirische tijdschrift

Braga(1842) steken zij de draak met vooral Byron en Beets.

Realisme ca. 1840 – ca. 1880

Er kwam niet ineens een scherpe breuk met de romantiek in deze periode. Als uitloper van het romantische genre kan bijvoorbeeld de zogenaamde

humorcultusgezien worden. De bekendste auteurs in dit genre zijn de dichters Gerrit van de Linde (alias de Schoolmeester) en François Haverschmidt (alias Piet Paaltjens). Ze maken gebruik van situaties uit de realiteit, maar overdrijven dit zodanig dat het absurd wordt. Er werden ook nog net als voorheen historische romans geschreven. Wat bij het realisme wel duidelijk naar voren kwam, was dat critici vooral geïnteresseerd waren in debedoelingvan het werk, dus of hetstichtelijkwas, of het de lezer eenvoorbeeldvoorhield enzovoort.

Een nieuw genre dat opgang maakte waren de zogenaamde

fysiologieën, waarbij individuen werden beschreven die model stonden voor een bepaalde groep. Nicolaas Beets (Hildebrand) beschreef bijvoorbeeld een boerin op zodanig typerende manier dat de lezer een beeld kreeg van ‘de boerin’. Hetzelfde met ‘de student’ bij Johannes Kneppelhout, die het over ‘de student’ had terwijl hij een hele groep wilde typeren.

De

tendensliteratuurbeoogde ook verhalend proza met een onverhulde boodschap te brengen. Het genre was al wereldwijd bekend door Harriet Beecher Stowe’s aanklacht tegen de slavernij in de romanUncle Tom’s Cabin. In de Nederlanden was de belangrijkste vertegenwoordiger van dit genre Multatuli, die in zijn Max Havelaar (1860) met meesterschap het Nederlands bestuur in Nederlands-Indië bekritiseerde. Ook Jacob Jan Cremer had voordien al veel succes met zijn novelleFabriekskinderen, een bede doch niet om geld(1863), die een aanklacht was tegen kinderarbeid in de fabrieken.

Op gebied van vorm wordt nu aan een sobere schrijfstijl de voorkeur gegeven boven het bombastische uit de romantiek. Het realisme durft ook taboes te doorbreken: Jacob van Lennep beschrijft in

Klaasje Zevensteruit 1866 een bordeel en Conrad Busken Huet behandelt in zijn romanLidewijdeuit 1868 het probleem van de echtscheiding. Guido Gezelle, tot slot, maakt in zijn poëzie gebruik van alledaagse woorden in het West-Vlaams dialect om zijn gevoelens te uiten.

Moderne letterkunde 1880-1945

De Tachtigers ca. 1880 – ca. 1894

Ja, Revolutie, algeheele Revolutie tegen u, ouwelijke heren!

— Kloos

De generatie schrijvers die de literatuur wilden vernieuwen vanaf 1880 zagen zichzelf als revolutionairen.

“Ja, Revolutie, algeheele Revolutie tegen u, ouwelijke heren…”declameerde Willem Kloos tegen de ‘oude heren’ van de “Gids-kliek”. De kunst mocht in hun visie geen ander doel dienen dan de kunst zelf en er kwam een sterke benadrukking van het esthetische, de symboliek in de kunst en de eigenheid van de individuele kunstenaar. De Nieuwe Gids (1885) is het tijdschrift van de Tachtigers. Belangrijke vertegenwoordigers van de Tachtigers zijn:

Willem Kloos
Albert Verwey
Louis Couperus
Frederik van Eeden
Marcellus Emants
Lodewijk van Deyssel
Herman Gorter

De Negentigers ca. 1890 – ca. 1910

Drongen niet woorden tot mij binnen Buiten den weg der doove zinnen

— Boutens (‘Stemmen’)

Kenmerkend voor de periode is dat wat afstand wordt genomen van het individualisme, het sensitivisme en de aandacht voor de waarneembare werkelijkheid. Door de poëzie krijgt symbolisme in de literatuur meer belang. Zo is er ook meer interesse voor mystiek en occultisme. In het algemeen kan ook worden gesteld dat auteurs op een meer bezonken manier willen reflecteren op de metafysische grondslagen van de werkelijkheid. Ook het uitdrukken van ideeën die de maatschappij ten goede kunnen komen wordt nu belangrijk gevonden: kunst als

gemeenschapskunst. Prominente auteurs en symbolisten uit deze periode zijn J.H. Leopold, Pieter Cornelis Boutens en de Vlaming Karel van de Woestijne. Als ‘gemeenschapskunstenaars’ gelden Albert Verwey (hoofdredacteur vanDe Beweging) en de socialistische dichteres Henriette Roland Holst wiens bundelDe Nieuwe Geboortin 1902 verscheen, toen ze zich pas tot het socialisme had bekeerd. [3]

In dit Fin-de-siècle-klimaat wordt ook

Van Nu en Straksopgericht (1893), het eerste moderne Vlaamse tijdschrift, dat als reactie tegen het provincialisme meer aansluiting zocht bij internationale kunststromingen. Redactieleden van het eerste uur waren Cyriel Buysse, Emmanuel De Bom, Prosper Van Langendonck en August Vermeylen. Ook Stijn Streuvels, Herman Teirlinck en anderen droegen door hun werk bij aan de hoge bloei van de Vlaamse literatuur in deze periode.

Neoclassicisme en neoromantiek

De dichters J.C. Bloem en A. Roland Holst zijn de drijvende krachten achter de ‘generatie 1910’ die in het tijdschrift

De Bewegingde nieuwe generatie vertegenwoordigen. In deGeschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885-1985spreekt Ton Anbeek niet over ‘generatie 1910’ maar over hetneoclassicisme. De dichters van deze stroming zetten zich af tegen de Tachtigers. In hun poëzie keren zij terug naar een vaste vormentaal, en het streven naar originele beeldspraak krijgt bij hen een minder prominente plaats. Eigenlijk is het dus een terugkeer naar de traditie die deze jonge dichters vooropstellen. Onder hen bevindt zich ook de dichter Geerten Gossaert, die spreekt over debezielde retoriekvan deze nieuwe generatie, die de traditie met een oorspronkelijke stem tracht te combineren.

Ook in proza is er een reactie tegen het voorgaande naturalisme. De

romanciers, zoals ze zichzelf noemen, hebben niet genoeg meer aan een objectieve beschrijving van de werkelijkheid. De aandacht voor het heden maakt bijvoorbeeld plaats voor verhalen over een gedroomd verleden. De bekendste schrijvers in dat genre – datneoromantiekwordt gedoopt – zijn Arthur van Schendel (Een zwerver verliefd, 1904) en Aart van der Leeuw (Ik en mijn speelman, 1927).

Avant-garde en modernisme 1916-1930

De term

modernismeverwijst hier in het algemeen naar de vernieuwing binnen de literatuur zoals die optrad in het interbellum (de periode tussen de twee wereldoorlogen) en meer in het bijzonder naar de stroming die het vernieuwende proza beschrijft tussen 1920 en 1940. Niet alleen binnen de literatuur maar ook bij de beeldende kunsten ontstonden na de eerste wereldoorlog allerlei experimentele kunststromingen die zich afzetten tegen bestaande traditionele opvattingen. Zo vond het expressionisme van schilders als Franz Marc en Permeke een tegenhanger in het Vlaamse literaire expressionisme van Paul van Ostaijen. Deze laatste zou evolueren naar dadaïstische dichtvormen, waarbij elke binding met de werkelijkheid lijkt weg te vallen, een vorm die getypeerd wordt door een zeer vrije typografie en bladspiegel.

Tijdschriften die de bode speelden van de vernieuwing van de avant-garde waren het Vlaamse

RuimteenHet Getijmet Herman van de Bergh, enDe Vrije Bladenmet Hendrik Marsman in Nederland.

In de periode 1920-1940 schreven een aantal auteurs die weliswaar tot het modernisme gerekend worden, maar dan van een soort dat niet-avantgardistisch is: Carry van Bruggen met haar scherpzinnig analyserende romans, de literaire broeders Menno ter Braak en E. du Perron met essayistiek en ander proza, en de sonneterende Martinus Nijhoff als advocaat van het gewone woord in de moderne poëzie. Tijdschriften die tijdens het interbellum toonaangevend waren, zijn

Forum(1932-1935), waarvan ter Braak samen met Du Perron de redactie aanvankelijk aanvoerde, enCriteriumdat in 1940 werd opgericht door jonge literators. Bertus Aafjes werkte er voor, alsook Anton van Duinkerken en Ed. Hoornik.

Interbellum 1930-1940

Is het dan niet meer voldoende om een vent te zijn?

— Ter Braak

De invloedrijkste tijdschriften uit deze periode zijn

ForumenCriterium, en verder ookHet GetijenDe Vrije Bladen. Binnen Forum barstte een controverse los over de ‘Vorm of Vent’ kwestie, een discussie over aard en functie van de poëzie. Voorstanders van een autonome vormentaal in de poëzie waren Nijhoff, Marsman en van Ostaijen, terwijl anderen de communicatieve, ethische opdracht van de dichter minstens even belangrijk vonden als het esthetische en creatieve aspect. Ter Braak en zijn vriend Du Perron waren die mening toegedaan.“Is het dan niet meer voldoende om een vent te zijn?”riep Ter Braak pathetisch uit, nadat hij kennis nam van de bloemlezing van D.A.M. Binnendijk, die in zijn keuze duidelijk zijn voorkeur voor de eerste categorie dichters liet blijken. [4] Volgens de aanhangers van deVent-richting, riskeerde poëzie steriel te worden als zij te zeer geconcentreerd was op vorm en het levensbeschouwelijke veronachtzaamde.

Binnen de redactie van

Forum, dat dus een gewone taal voorstond en de ‘sierpoëzie’ verwierp, zetten ter Braak en Du Perron de toon, met medewerking van de belangrijkste Belgische romanschrijvers van het ogenblik: Maurice Roelants, Marnix Gijsen, Gerard Walschap en Willem Elsschot. De dichters Jan Greshoff en J. Slauerhoff behoorden ook tot de groep rond hetForum.

Los van

Forumwerkten Nederlands ‘top drie’ romanciers uit het interbellum: Simon Vestdijk, Ferdinand Bordewijk en Arthur van Schendel.

Een van de belangrijkste dichters van zijn generatie en van de Nederlandse literatuur in zijn geheel, is Gerrit Achterberg. Hij wijdde zich volledig aan de poëzie. In 1931 publiceerde hij zijn eerste bundel

Afvaarten bleef tot aan zijn dood werken aan hetzelfde thema: het negotiëren met de dood over het terugbrengen van zijn gestorven geliefde. [5]

Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandsche Kultuurkamer opgericht. Dit was een instantie waar van de bezetter alle Nederlandse kunstenaars lid van moesten worden, indien zij hun beroep tenminste wilden blijven uitoefenen. Bij deze groep sloot zich ca. 30% van de Nederlandse schrijvers aan. De meeste kunstenaars die zich bij de Nederlandsche Kultuurkamer hadden aangesloten werden na de oorlog echter als collaborateurs beschouwd en in zogeheten ereraden veroordeeld. De ereraad voor de letterkunde werd voorgezeten door Ferdinand Bordewijk, die de meeste collaborateurschrijvers tot een publicatieverbod van enkele jaren veroordeelde.

Schrijvers die tijdens de oorlog niet collaboreerden hadden het erg moeilijk. Als ze al niet in kampen werden opgesloten (zoals bijvoorbeeld met Simon Vestdijk gebeurde) konden ze niet in het openbaar publiceren. Sommigen schreven in clandestiene tijdschriften zoals

Het Parool,TrouwenVrij Nederland. De literatuur uit de oorlogsjaren bestaat hoofdzakelijk uit verzetspoëzie, waarvan een deel al tijdens de oorlog werd bijeengebracht in bundels zoals hetGeuzenliedboek(1943) enHet vrij Nederlands liedboek. Een zeer bekend geworden verzetsgedicht isDe achttien dodenvan Jan Campert, dat tevens de eerste uitgave van De Bezige Bij was.

Moderne letterkunde 1945-heden

Ontluisterend realisme

De oorlog heeft de schrijvers uit deze periode getekend in de manier waarop ze de werkelijkheid ervaren en beschrijven. Na de oorlog is er een omslag merkbaar. De vernieuwing, die in literatuurgeschiedenissen als

Ontluisterend realismezal worden beschreven, wordt ingezet door voornamelijk drie auteurs: Gerard Reve, W.F. Hermans en Anna Blaman. Het idealistische lijkt wel te zijn verdwenen uit hun proza. In de plaats komt de beschrijving van de rauwe werkelijkheid, de onmenselijkheid, en veel aandacht voor lichamelijkheid en seksualiteit. In Vlaanderen zijn Hugo Claus en Louis Paul Boon de belangrijkste vertegenwoordigers. Samen richten zij in 1949 het tijdschriftTijd en Mensop, dat in 1955 zal fuseren metPodium.

De Vijftigers

De dichters, bekend als

Vijftigers, verwerpen de bespiegelende lyriek van het interbellum ten gunste van een meer experimentele stijl. Daarbij inspireren ze zich op dada, het surrealisme, primitieve kunst en kindertekeningen. Hiermee beogen ze zo veel mogelijk de rede uit te schakelen en beroep te doen op gevoel, vrije associatie en intuïtie. Hun poëzie wil vooral vrij zijn, los van alle regels. De bekendste Vijftigers zijn Lucebert en Hugo Claus – die beide eerst ook lid waren van Cobra- en Gerrit Kouwenaar. Een typische uitspraak van Lucebert in verband met hun visie op poëzie is:“Schoonheid heeft haar gezicht verbrand”, waarmee hij bedoelt dat kunst anti-esthetisch dient te zijn.

In de eerste verspreiding van de ideeën van de Vijftigers waren vooral twee tijdschriften van belang:

Braak(1950), onder redactie van Remco Campert en Rudy Kousbroek, enBlurb, een in 1950 door Simon Vinkenoog opgestart tijdschrift dat enkele jaren onregelmatig verscheen.

De jaren zestig

Als reactie op de vrije opvattingen van de vijftigers ontstaat een neorealistische stroming in de poëzie, met dichters als K. Schippers en J. Bernlef. Deze opvatting, wezenlijk een antidotum tegen Cobra, stelt dat ook de realiteit een vorm van kunst is. Het onderscheid tussen kunst en werkelijkheid valt bij hen weg. Zo vinden ze bijvoorbeeld in stukken reclametekst waardevolle poëzie. Typerend is ook het afwijzen van beeldspraak en de persoonlijke gevoelens van de kunstenaar. De indruk die zulke gedichten maken is vaak niet erg ‘dichterlijk’. De verwantschap met het Amerikaanse pop-art is opvallend. Ook hier worden immers dagelijkse gebruiksvoorwerpen los van hun gewone context gepresenteerd. De belangrijkste auteurs (Schippers en Bernlef) publiceren in het Amsterdamse tijdschrift

Barbarber. Wanneer in 1957 Paul Snoek de redactie van het avant-gardistische Vlaamse tijdschriftGard Sivikverlaat (wat later gevolgd door Gust Gils en Hugues C. Pernath), nemen Rotterdamse dichters als Armando en Hans Sleutelaar de redactie over. In 1965 gaatGard Sivikover in deDe Nieuwe Stijlvan Armando.

In deze periode worden nog steeds romans geschreven in de traditie van het naoorlogs realisme, bijvoorbeeld Jan Wolkers debuutroman

Kort Amerikaansuit 1962. Er ontstaat echter een stroming, ‘het ‘Ander proza’ [6] genoemd, die het einde van de roman aankondigt en geen vertrouwen meer heeft in de roman als spiegel van de werkelijkheid. Het is in deze periode dat Harry Mulisch geen fictie meer schrijft, maar zich concentreert op bespiegelende reportages. Een voorbeeld van zulk experimenteel proza isBreekwater(1961) van Sybren Polet. In zijn verhaal past hij een literaire kunstgreep toe om de werkelijkheidsillusie te doorbreken door de naam van de hoofdpersoon na twee bladzijden te veranderen. Identiteit wordt gezien als een fictieve constructie, en de chronologische opbouw van een verhaal is niet langer dwingend.

Vlaamse prozaschrijvers experimenteren in de jaren 60 ook met verschillende genres. Het stream-of-consciousness proza vindt men terug in werken van Hugo Raes, Ivo Michiels en Paul de Wispelaere. Ward Ruyslinck schreef satirische en allegorische romans, Jef Geeraerts’ romans dompelen de lezer onder in een gewelddadig koloniaal verleden en Walter van den Broeck maakt gebruik van een mengeling van autobiografie en sociale geschiedenis.

De jaren zeventig tot nu

Nederland

Reve, Hermans en Mulisch blijven romans schrijven in de traditie van het realisme, al is dat vooral in het geval van Mulisch vaak met symbolisme en mythe vermengd. In de jaren 70 groeperen een aantal jonge prozaschrijvers zich die (opnieuw) kleinschalige, voor iedereen bevattelijke verhalen wil vertellen. Zij schrijven samen het

Manifest voor de jaren zeventigin 1970. Onder hen bevinden zich Heere Heeresma en Mensje van Keulen. Hetmimetisch proza, zoals zij het zelf noemen, wil de werkelijkheid afbeelden zoals ze is. Behalve de mimetische groep zijn er ook auteurs zoals Frans Kellendonk die ‘antimimetisch’ en dus niet waarheidsgetrouw te werk willen gaan. DezeRevisor-groepgaat bijvoorbeeld uit van de realiteit maar overdrijft deze. Jeroen Brouwers zou hen in een polemisch essay uit 1979 met de titel ‘De Nieuwe revisor’ aanvallen met het verwijt de literatuur te ‘infantiliseren’. Behalve Kellendock werken nog enkel belangrijke auteurs rondom het tijdschriftDe Revisorzoals bijvoorbeeld Doeschka Meijsing (De kat achterna– 1977). Een Nederlands-Antilliaanse schrijver uit die periode is Frank Martinus(Dubbelspel – 1973).

Auteurs die behoren tot wat het postmodernisme wordt genoemd, zijn de romanciers Willem Brakman – met zijn ‘invalsgestuurde’ schrijfmethode – en Louis Ferron, die literair succes oogstte met zijn trilogie

Gekkenschemer(1974) /Het Stierenoffer(1975) /De Keisnijder van Fichtenwald(1976). Hun uitgangspunt is dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat die met taal kan beschreven worden. Zij stellen vitalisme en spontaniteit tegenover het te grote intellectualisme van hun modernistische voorgangers.

De jaren ’70 zijn ook de jaren van de tweede feministische golf, en een aantal schrijfsters geven de rol en de positie van de vrouw een prominente plaats in hun werk: Anja Meulenbelt met

De schaamte voorbij(1976), Renate Dorrestein met onder meerHet perpetuum mobile van de liefde(1988), Hannes Meinkema inEn dan is er koffie(1976), Margriet de Moor metEerst grijs dan wit dan blauw(1992) en anderen. In deze periode zien ook de literaire ‘vrouwentijdschriften’LoverenLust en gratiehet licht.

Een aantal Nederlandse auteurs worden ook veelvuldig vertaald. Cees Nooteboom ziet zichzelf in de eerste plaats als dichter, maar kende niettemin vooral succes met zijn reisverhalen en romans.

Rituelen(1980) kreeg met deMobil Pegasus Literatuur Prijsin 1982 zelfs internationale erkenning als beste niet-Amerikaanse roman. Ook de veelvuldig bekroonde romancière Hella Haasse, die reeds in 1945 debuteerde en nog steeds actief is, behoort tot een van Nederlands meest gelezen auteurs in het buitenland.

Vlaanderen

Na al de overvloed van literair talent dat in de vorige periode op het voorplan kwam, lijken de jaren 70 eerder ‘stille jaren’ te zijn voor Vlaanderen. In de jaren ’80 debuteerden in Vlaanderen enkele talentvolle auteurs: Leo Pleysier, Pol Hoste, Eriek Verpale, Eric de Kuyper en Monika van Paemel. In het midden van de jaren ’80 eiste een generatie jongere prozaschrijvers de aandacht op. Onder hen bevonden zich Kristien Hemmerechts, Patricia de Martelaere, Koen Peeters en de in alle genres opererende Tom Lanoye. Zij vonden een creatieve uitlaat in nieuwe tijdschriften als Kreatief, Yang, en De Brakke Hond. Allerlei uitersten van genres en stijlen worden vanaf dan door de meest diverse auteurs beoefend. Veelschrijver Herman Brusselmans met zijn bewust anti-literair scheldproza, Peter Verhelst met hallucinante romans als

Tongkatuit 1999, en Erwin Mortier met het psychologisch subtieleMarceluit 1999.

In Vlaanderen zijn de meest vooraanstaande poëtische stemmen vanaf 1980 Leonard Nolens en de jongere dichters Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en Peter Verhelst.

Kenmerken van de (post)moderne roman

Enkele kenmerken van de moderne Nederlandstalige roman (1990-nu) , voor zover die nu al kan worden overzien:

In romans van de laatste jaren speelt de buitenwereld weer een rol. Verhalen over terroristen en oorlog ( factionromans e.d.)
Verteller, auteur en personages zijn niet altijd zo streng gescheiden als bijvoorbeeld in de 19e eeuwse roman. Zo beschrijft Arnon Grunberg personages die net als hijzelf in New York wonen, schrijver zijn etc.
Geen scherpe afscheiding meer tussen de genres, zoals fictie en non-fictie.
Proza dat geëngageerd is, maar niet moralistisch. Vaak komen bijvoorbeeld verschillende visies en ‘stemmen’ aan bod die het verhaal vanuit hun eigen perspectief vertellen. Zo schrijft Hafid Bouazza over generatieproblematiek door zo veel mogelijk betrokkenen aan het woord te laten.
Moderne auteurs vermengen teksten van anderen in hun eigen werk, waardoor een soort intertekstualiteit of collage ontstaat. Dat kunnen bijvoorbeeld citaten van klassieke schrijvers zijn, liedjes, spreekwoorden of krantenartikelen.
Het lineair en chronologisch vertellen van een verhaal maakt plaats voor vertelling via flashbacks, sprongen in de tijd of herinneringen.

Kenmerken van de postmoderne poëzie

Kijk maar, zeg je, en je wijst: een rorschachtest, een postmodern gedicht zwermt uit over de vloer.

— Uit

Verhemelte, 1992, Peter Verhelst

Joosten en Vaessens hebben getracht te formuleren wat de postmoderne kenmerken zijn van recente poëzie. Hun uitgangspunt is dat het postmoderne gedicht niet langer poogt een zinvolle eenheid te bieden, of een authentieke dichterlijke stem wil laten horen. Met de volgende drie kenmerken ‘ontregelt’ het de traditionele poëzie:

Het gedicht is ‘onaf’, is niet strikt gestructureerd en pretendeert geenszins een samenhangend beeld van de werkelijkheid te schetsen.

Forgrounding van het gedicht en niet van de dichter. Oorspronkelijkheid wordt tussen haakjes gezet, bijvoorbeeld door fragmenten tekst van anderen in te voegen.
Er schemert geen achterliggend wereldbeeld door dat het gedicht binnen een levensbeschouwlijke context plaatst

Buitenbeentjes

De onnavolgbare Carmiggelt ontving in 1974 de hoogste Nederlandse literaire onderscheiding: de P.C. Hooft-prijs, een eerbetoon van het soort dat slechts weinig columnisten te beurt was gevallen. Enkele jaren voordien, in 1971, was de populaire auteur Godfried Bomans gestorven, een andere humoristische schrijver waar de literaire kritiek niet goed weg mee wist. Beide auteurs etaleerden echter een dusdanig meesterschap over de Nederlandse taal dat ze niet mogen ontbreken in een overzicht van de Nederlandse literatuur. Annie M.G. Schmidt is ook zo’n literair buitenbeentje. Zij schreef voornamelijk liedjesteksten, kinderverzen, toneelstukken en cabaretteksten, en ontving in 1987 de Constantijn Huygensprijs voor haar hele oeuvre.

Literaire prijzen

De Prijs der Nederlandse Letteren is de belangrijkste literaire prijs van België en Nederland, die sinds 1956 om de drie jaar wordt uitgereikt.

Tekstverantwoording

De basistekst voor dit artikel schreef ik voor de Nl Wikipedia onder mijn accountnaam aldaar.