Nederlandstalige literatuur

Vooraf

Overwegingen die bij het samenstellen van een artikel over Nederlandstalige literatuur gemaakt kunnen worden zijn de volgende:

Niet elke auteur en elk werk heeft een even grote invloed uitgeoefend op de wegen die in de literatuur bewandeld zijn, en dat bepaalt mee de keuze van de auteurs die besproken worden. Want er moet gekozen worden: elk jaar verschijnen er alleen al op de Nederlandstalige markt honderden nieuwe boeken en komen er nieuwe auteurs voor het voetlicht.

Wisselende literatuuropvattingen : literatuuropvattingen zijn ook aan mode onderhevig, en wat in de tijd van de rederijkers als grote kunst of grote literatuur gold, wordt vandaag misschien als rijmelarij afgedaan. We zijn allemaal gewoon kinderen van onze tijd en kijken door een gekleurde bril, of we het nu willen of niet.

Wanneer is een tekst literair? Of: wanneer wordt een tekst eigenlijk als “literair” beschouwd en wat zijn daar de criteria voor? In de praktijk noemen we teksten “literair” omdat ze door gezaghebbende literatuurwetenschappers van hogere waarde worden geacht dan andere teksten. Het is met andere woorden geen waardevrije term, maar eerder subjectief en evoluerend met de tijd. Degenen die beslissen of een tekst literatuur is en wat dus tot de literaire canon van een taal mag worden gerekend, zijn critici, uitgevers en andere literatoren die samen het tijdelijke beeld over literatuur bepalen. Door de beperkte houdbaarheid van literaire opvattingen krijgen bloemlezingen in verschillende perioden dan ook soms een heel andere nadruk en inhoud.

Het eerste Nederlands: de Middeleeuwen

Middeleeuwse Nederlandse literatuur is de Nederlandstalige literatuur van de Lage Landen vanaf de eerste als Nederlands herkenbare literaire schrijfsels tot de zestiende eeuw.

Bij deze definitie moet meteen een kanttekening geplaatst worden. In de vroegste stadia van de Nederlandse taal was er sprake van een grote mate van ‘onderlinge verstaanbaarheid’ van wat we nu Germaanse dialecten noemen. Vandaar dat sommige fragmenten en auteurs ‘geclaimd’ worden door zowel de Nederlandse als de Duitse literatuur. Een goed voorbeeld hiervan is de 12e-eeuwse dichter Hendrik van Veldeke, die in beide taalgebieden geëerd wordt als de auteur die aan de wieg stond van hun eigen literatuur.

Doorgaans wordt de middeleeuwse Nederlandse literatuur als volgt ingedeeld:

De periode van de adellijke letterkunde : 1100-1300 met de bloei van de hoofse cultuur. De literatuur vertolkt de idealen van de adel. Het is de periode van de ridderromans . Belangrijke (Middelnederlandse) auteurs:
Hendrik van Veldeke (de sint Servaeslegende, de Eneasromn, liefdeslyriek ), de anonieme schrijvers van het Roelantslied, Renout van Montalbaen, Ferguut, Floris ende Blancefloer van Diederic van Assenede, de anonieme auteur ‘Willem die Madoc maakte’ van Van den vos Reinaerde, Hadewijch, Jacob van Maerlant ( Der naturen bloeme,Rijmbijbel, Historie van Troyen) e.a.De periode van de burgerlijke letterkunde : 1300-1550 waarin door de economische groei van de steden ook rijke burgers belangrijke opdrachtgevers en lezers worden. In deze periode is vooral een opleving van toneel opvallend. Belangrijke (Middelnederlandse) auteurs:
Jan van Boendale ( Lekenspiege l), Jan van Ruusbroec (traktaten zoals Van seven trappen in den graed der gheesteleker minnen ), door anonieme auteurs geschreven waren Beatrijs , Elckerlijc , Mariken van Nieumeghen , abele spelen zoals Gloriant, Lanseloet van Denemerken en Vanden Winter ende vanden Somer , rederijkers zoals Anna Bijns e.a.

In werkelijkheid is er geen sprake van een strikte begrenzing, want ook in de eerste periode waren er burgerlijke opdrachtgevers, net zoals de adel in de volgende periode een belangrijke rol bleef vervullen.

Oudnederlands en Middelnederlands

De twee oudste pennenvruchten in een taal die we als Nederlands kunnen herkennen zijn geschreven in het Oudnederlands. Het gaat hier om het ‘Hebban olla Volgala’ en de Willeram. Het verschil met het latere Middelnederlands zit hem in de klinkerkleuring: in het Oudnederlands krijgen lettergrepen zonder accent nog een a of o in deze lettergreep. Een voorbeeld hiervan is ‘hebban’ ’n ‘vogala en hagunnan’. Deze klinkerkleuring was typisch voor West-Germaanse dialecten. De overgang tussen Oudnederlands en Middelnederlands is gesitueerd omstreeks 1150.

Het tot dusver als oudst aangemerkte 6e-eeuwse “Nederlandse” – eerder Oudnederfrankische – zinnetje ‘Maltho thi afrio lito’ is voor moderne sprekers van het Nederlands moeilijk te begrijpen. Het betekent [Ik] meld: [ik] bevrijd je, laat. Het ging hier om een formule die werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat, een halfvrij persoon.

Het begin: een verliefde scribent?

Het 11e-eeuwse “Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat unbidan uue nu” ‘ levert al wat minder problemen op. Dit intrigerende zinnetje werd meer dan 900 jaar gelden in de marge van een Latijns manuscript geschreven, waarschijnlijk door een verliefde West-Vlaamse scribent die in het klooster van Rochester in Kent werkte. Het gaat hier vermoedelijk om een probatio pennae, een penneprobeersel om een nieuw gesneden pen te testen. Nu wordt het in Oxford bewaard, waar het in 1932 werd ontdekt.

Hoe dan ook is dit lyrisch klinkende ‘Alle vogels hebben nestjes begonnen behalve ik en jij, wat wachten we nu’ als eerste echt literaire tekst meteen een mooi begin van de Nederlandse literatuur…

Wachtendonckse Psalmen

Het 10e-eeuwse psalmenboek de Wachtendonckse Psalmen is geschreven in een Oudgermaans dialect. Het is ook het eerste geschrift waar we het Nederlandse woord ‘boek’ in terugvinden, gespeld als ‘buok’. De tekst is genoemd naar de 16e-eeuwse kanunnik Arnold Wachtendonck die het manuscript in zijn bezit had toen Justus Lipsius het voor studiedoeleinden leende. Toen Lipsius de Latijnse teksten bestudeerde, werd zijn interesse gewekt door de Nederlandse vertalingen die erboven stonden. Het ging hier dus om een studieboek waar de monniken en nonnen gebruik van maakten in de lessen Latijn. Jammer genoeg kunnen we het originele manuscript niet meer bestuderen. Degene die het als eerste bestudeerd heeft, Lipsius, heeft het merkwaardig genoeg ook verloren. Gelukkig heeft hij tijdens zijn studie een aantal van de psalmen overgeschreven. Al wat ons rest zijn dus kopieën. Aangezien de drukkunst nog niet bestond, werden boeken ‘overgeschreven’ en in dat overschrijven slopen bijna onvermijdelijk ook fouten. De oorspronkelijke tekst van het psalmenboek kon dus alleen gedeeltelijk gereconstrueerd worden door de verschillende kopieën met elkaar te vergelijken. Wat rest zijn enkele psalmen, en een interlineaire lijst met Latijnse woorden en hun Oudnederlandse vertaling. Het eerste boek: de Willeram

Willeram

De titel van het eerste echte boek in het Nederlands gaat echter niet naar de Wachtendockse Psalmen, ook al zijn die twee eeuwen ouder. De ‘Psalmen’ zijn immers geen originele handschriften, maar kopieën uit de 16e eeuw. De titel van oudste Nederlandstalig manuscript gaat dus naar De Leidse Willeram, ook wel Egmondse Willeram of Williram genoemd. Het dateert uit circa 1100 en is dus in het Oudnederlands geschreven.

De ‘Willeram’ is een Oudnederlandse bewerking van Williram von Ebersbergs commentaar op het Hooglied. Williram was de abt van het Beierse klooster Ebersberg en schreef het boek in een Hoogduits dialect. De Hollandse kopiist ‘vernederlandste’ de tekst door Hoogduitse woorden te vervangen door noordwestelijke Nederlandse woorden. Ook de verbuiging van de werkwoorden en de spelling paste hij aan. De tekst bevat ongeveer 9500 woorden, waardoor het de langste overlevende tekst is in het Oudnederlands.

Hendrik van Veldeke

Veldeke, in de 14e-eeuwse Codex Manesse

Na de fragmenten en vertalingen van de vroege teksten begint de eigenlijke literaire fase van de Middelnederlandse literatuur met de Limburger Hendrik van Veldeke. Als er iemand de titel van

Vader van de Nederlandse literatuurverdient dan is het deze Maaslander. Hendrik van Veldeke werd omstreeks 1150 geboren in Veldeke, een gehucht dat nu in Belgisch Limburg ligt. Zijn heiligenleven‘Sente Servaes’schreef hij in het dialect van zijn streek, het Maaslands. Hiermee had hij trouwens een primeur beet, want hij was de eerste Europese schrijver die we van naam kennen die niet in het Latijn maar in een volkstaal schreef! Een volgend bekend werk van hem, de aan een Frans voorbeeld ontleende hoofse romanEneas, had hij zo geschreven dat het zowel begrijpelijk was voor lezers die Hoogduits spraken als voor de Maaslanders. Dat deed hij door zijn rijmwoorden heel zorgvuldig uit te kiezen. Slimme zet, want zijn lezersmarkt verdubbelde in één klap. Zijn Eneasroman droeg hij op aan de gravin van Kleef, die hij met lovende woorden beschreef als”De milde en de goede… die vorstelijk kon geven.”

Hij had ook kunnen schrijven

“…die verdorie mijn manuscript 10 jaar geleden verloren legde!”, want dat was er precies gebeurd. Van Veldeke was als entertainer uitgenodigd op het trouwfeest van gravin van Kleef met landgraaf Lodewijk III van Thuringen. Als dichter had hij, tussen de acrobaten, muzikanten en zangers, de taak om wat verfijnder vertier te brengen. Hij legde zijn manuscript voor aan de bruid, maar die liet het pikken door een broer van haar ega. Van Veldeke was er de put van in en stopte gewoon met werken aan de Eneasroman, tot 9 jaar later paltsgraaf Herman, een broer van de intussen morsdode dief, hem vrolijk het manuscript terugbezorgde! Ergens omstreeks 1186 klaarde hij uiteindelijk toch de klus.

Van Veldeke stond ook aan de wieg van de Duitse literatuurgeschiedenis. Over hem werd met veel respect gezegd:

“Hij entte de eerste tak op de boom van de Duitse literatuur.”

Vooral als minnezanger werd hij gewaardeerd. Zowat 30 minneliederen werden van hem opgenomen in verschillende ‘Liederhandschriften’ uit de 13e tot de 15e eeuw.

En nu de hamvraag: kunnen die liederen en de Eneasroman, de hoofdzakelijk in Hoogduitse handschriften zijn overgeleverd, wel tot de

Nederlandse literatuurgerekend worden? Ja en nee. In de middeleeuwen werd, vooral in het Maasland dat tussen twee culturen in gelegen was nog niet zo’n onderscheid gemaakt tussen Nederlands en Duits. Van een soort ‘cultuurgrens’ in het Maas-en Rijngebied was geen sprake.

Zowel in Hasselt als in Maastricht staat er nu een standbeeld van hem, als eerbetoon aan de eerste succesrijke schrijver in het Nederlands.

Ridderromans

De eerste ridderromans in het Nederlandse taalgebied ontstonden eveneens in het Maasland. Bekende voorbeelden zijn de Trierse Floyris, de Limburgse Aiol en de Nederfrankische Tristan. Hoewel het graafschap Vlaanderen op alle vlakken ver vooruit was op de andere streken van de latere Nederlanden, ontstond hier toch pas in de 13e eeuw een volkstalige ridderroman. Ridderromans waren overigens geen “romans” in de moderne zin van het woord, maar lange, berijmde gedichten in de volkstaal. Vaak is de stof internationaal: vertaald en bewerkt uit het Frans of het Engels. De romans gaan over noeste strijders, over de toewijding tot verheven dames, over de klassieke oudheid of over het oosten. Ze zijn naar hun thematiek in vier groepen te verdelen:

de voorhoofse Frankische of Karolingische romans, waarin Karel de Grote een centrale rol speelt ( Karel ende Elegast , Roelantslied , Renout van Montalbaen) ;
de iets jongere Brits-Keltische romans of Arthurromans ( Ferguut , Walewein );
de klassieke romans, zoals die door Jacob van Maerlant werden vertaald;
de oosterse romans ( Floris ende Blancefloer, Parthenopeus van Bloys (fragmenten)).

Middelnederlandse mystiek

Vaak wordt er naar deze fase uit de Nederlandse literatuur verwezen als

de Middelnederlandse vrouwenmystiek. Daar is veel voor te zeggen, want het waren in hoofdzaak twee vrouwen die de toon zetten bij deze mystieke teksten: Hadewijch en Beatrijs . Beiden schreven, de een als begijn, de ander als non, hun mystieke ervaringen op met een duidelijk didactisch doel: hoe nog in dit leven God kon worden ervaren. Daarmee verschilden ze van de reguliere kerk die pas heil beloofde in een leven na de dood. Mystieke ervaringen van vrouwen – een vorm van extase en overgave die gepaard ging met verlies van zelfcontrole – werden door de toenmalige katholieke kerk dan ook slechts argwanend geduld.

Belangrijkste vertegenwoordigers:

Beatrijs van Nazareth was een 13e eeuwse Vlaamse cisterciënzernon die beschouwd wordt als de allereerste prozaschrijver in de Nederlandse taal. Als mystica schreef ze haar leer neer in Van seven manieren van heiliger minnen . Beatrijs werd in 1200 geboren in Nazareth nabij Lier als dochter van welgestelde ouders. Ze genoot een goede opvoeding, leerde Latijn en ging dan in 1215 in het klooster van Bloemendael bij de Cisterciënzers. Vanaf 1236 verbleef ze in het klooster Nazareth bij Lier, waar ze ook haar naam aan ontleent. Daar werd ze ook priores. Aan haar wordt het oudste Nederlandse proza toegeschreven dat volledig aan ons is overgeleverd. Ze schreef in het Nederlands ook over haar eigen leven in een reeks autobiografische nota’s. In haar verhandeling In Van seven manieren van heiliger minne (ca. 1240) beschrijft ze zeven trappen en soorten van liefde waarbij de hoogste trap de eenmaking met God is. Vandaar dat er ook wordt gesproken over Beatrijs’ bruidsmystiek .
Hadewijch was een 13e-eeuwse dichteres en mystica die waarschijnlijk in het hertogdom Brabant woonde en leefde. Vaak wordt er naar haar verwezen alsHadewijch van Antwerpen. De teksten die we van haar hebben zijn in een Brabantse variant van het Middelnederlands geschreven. Hadewijch schreef zowel poëzie als proza. Van haar leven is eigenlijk weinig met zekerheid bekend. Gezien haar goede opleiding wordt verondersteld dat ze afkomstig was uit een adellijke familie. Mogelijk bracht ze een deel van haar leven door in Nijvel. Wat wel zeker is, is dat haar literaire bloeiperiode viel in de eerste helft van de 13e eeuw. In een van haar brieven zegt ze zelf dat ze zich vanaf haar elfde levensjaar volledig ging wijden aan de dienst van de “liefde”. Hiermee bedoelt ze niet de wereldlijke liefde, maar de liefde voor God. In haar geschriften benadrukt zij dat de menselijke ziel geschapen is naar het beeld van God, waardoor er nog tijdens het leven een intieme relatie met God mogelijk is. De ziel streeft er immers naar om terug herenigd te worden met haar oorsprong. Wat Hadewijch leerde viel niet in goede aarde bij de gevestigde leer van de kerk. Die stelde immers dat pas na de dood iets van een eeuwig leven mogelijk zou worden. Hadewijch zegt echter dat reeds op aarde dit eeuwige leven een aanvang neemt, en het is de de liefde die dit mogelijk maakt: “Van minnen es men God worden”. Hadewijchs werken: Brieven, Mengeldichten, Strofische gedichten, Visioenen.

Jan van Ruusbroeck was een van de grootste Vlaamse mystieke schrijvers. Hij werd in 1294 geboren te Ruusbroec aan de Zenne ten zuiden van Brussel. Op 11-jarige leeftijd ging hij in Brussel studeren bij een verre verwant, Jan Hinckaert, kanunnik van Sint-Goedele. Deze onderwees hem in theologie en filosofie. Van Ruusbroeck werd in 1317 tot priester gewijd en was tot 1343 kapelaan aan de kerk van St. Goedele. Toen ging hij met Hinckaert en Coudenberch naar een ‘kluis’ (kluizenaarsverblijf), het latere klooster Groenendael in het Zoniënbos waar hij zich overgaf aan het werkend en het schouwend leven. Tijdens zijn verblijf in Brussel had hij reeds Die Chierheit der gheesteleker Brulocht (1350) voltooid.daarop volgde in 1359 Spieghel der ewigher Salicheit , naar verluidt geschreven op verzoek van een non van St. Clara. Onder zijn werken wordt Van den gheestelijken Tabernacule het belangrijkste geacht; het is een voorstelling van van het mystieke ‘schouwende leven’, met name van de vereniging met God. Het Boec van seven Trappen wijst de opgang naar de zaligheid der beschouwing. Jan van Ruusbroec stierf op 2 december 1381 in Groenendaal. Ruusbroec schreef zijn werken in een onvermengd Brussels Diets, met weinig Latijnse of Waalse woorden. Nog tijdens zijn leven werden ze al in het Latijn vertaald zodat ze ook buiten de landsgrenzen konden worden gelezen. Rond 1350 las men in Zuid-Duitsland al zijn hoofdwerk Die geestelike brulocht (ca. 1335) in het Duits.
Jacob van Maerlant werd geboren in de buurt van Brugge, ergens tussen 1230-1240, en stierf in Damme ca. 1288-1300. Hij was de grootste Vlaamse dichter van de dertiende eeuw en een van de belangrijkste Middelnederlandse auteurs. Vermoedelijk was het de prestigieuze kapittelschool van Sint-Donaas te Brugge waar de jonge Jacob de kennis en vaardigheden verwierf waar hij de rest van zijn leven als dichter zou uit blijven putten.Van Maerlant zag het als zijn levenstaak om een publiek van adellijke leken in te wijden in kennis die tot dan toe alleen was voorbehouden aan geestelijken. Hij wilde zowel een ernstig auteur zijn als een leermeester. Zijn werk is bijzonder omvangrijk en hij wordt dan ook terecht beschouwd als de meest productieve van alle Middelnederlandse, in de volkstaal schrijvende dichters. Om dergelijk uitgebreid oeuvre te kunnen schrijven (zo’n 230.000 verzen in totaal, verspreid over 10 werken) moest hij kunnen rekenen op rijke opdrachtgevers. Dankzij de baantjes die ze hem bezorgden kon hij zich volop wijden aan zijn letterkundig werk. Zo is bekend dat hij onder meer koster van het Sint Pieterskerkje te Maerlant (op het tegenwoordige Voorne, den Briel) was en schepenklerk te Damme (al is dat laatste niet 100% zeker). Een van zijn machtigste en bekendste opdrachtgevers was de Hollandse graaf Floris V. Voor dat adellijk publiek, onder meer voor de Zeeuwse edelen rondom de graaf, schreef hij ‘schoolboeken’ over allerlei onderwerpen. Zowat alles kwam aan bod: geografie, biologie, geneeskunde, de klassieke geschiedenis (Troje, Alexander, Rome, koning Artur)… Op het einde van zijn loopbaan zou van Maerlant een groots opgezet historisch werk schrijven, de Spieghel Historiael , dat de gehele geschiedenis vanaf de schepping tot de eerste kruistocht behandelt. Voor hij aan dat werk begon had hij de Rijmbijbel geschreven, (met bijna 35.000 verzen) dat de Bijbelse geschiedenis als thema heeft. Daarvoor boorde hij zowat alle bronnen aan die hij te pakken kon krijgen. Zo maakte hij zeker gebruik van de Historia scholastica dat theologiestudenten onderwees in de geschiedenis van de achtergronden van de Schrift. Van hem zijn vooral volgende werken bekend:

*de Rijmbijbel, een bewerking van de

Historia scolasticavan Petrus Comestor

*de Spieghel historiael, waarin hij geschiedenis voorstelt als een spiegel van goed en slecht gedrag

Van den vos Reynaerde

Van den vos Reynaerde(vanWillem die Madocke maecte) vormt een hoogtepunt in de Middelnederlandse literatuur. Het omstreeks 1260 geschreven gedicht zet het genre van de Karel-en Arthurepiek op zijn kop door dieren als personages ten tonele te voeren in een door de sluwe vos Reinaert gemanipuleerde feodale wereld. Het is een van de weinige Middelnederlandse werken die in het Latijn werden vertaald (gewoonlijk was het andersom!)

Religieus en wereldlijk toneel

Toneelactiviteiten speelden zich voornamelijk af in een stedelijke omgeving voor een burgerlijk publiek. Onderscheid wordt gemaakt tussen religieuze spelsoorten als mysteriespel, mirakelspel en moraliteit enerzijds, en wereldlijk toneel onder de vorm van abele spelen, kluchten (

sotternieën) en esbattementen anderzijds. Zowel in de ernstige als komische stukken ziet men de burgerlijke moraal doorschemeren in opvattingen over bijvoorbeeld standenverschillen, huwelijk en seksualiteit. Enkele wereldlijke stukken bekend uit het handschrift Van Hulthem (1410):

Abele spelen: Esmoreit , Gloriant , Lanseloet van Denemerken , Vanden Winter ende vanden Somer

Kluchten: Lippijn , De Buskenblaser , Die Hexe , Rubben

Late middeleeuwen: de rederijkers

Rederijkerswaren amateur-dichters en voordrachtkunstenaars die zich in de late middeleeuwen gingen organiseren in verenigingen. Ze spiegelden zich daarbij aan al bestaande broederschappen uit Artesië. De eerste Nederlandstalige ‘kamers’ ontstonden in Vlaanderen. De vroegste, voor zover wij weten, was ‘Alpha en Omega’ uit Ieper. Pas na de val van Antwerpen (1588) onder de Spaanse Furie begon de bloeiperiode van de rederijkerij in Holland. In de Zuidelijke Nederlanden werden te kritische rederijkers door de Spaanse bezetters immers opgepakt en vermoord zodat heel wat schrijvers uitweken naar het noorden.

De leden van deze verenigingen noemden zich naar Frans voorbeeld

rhétoriqueurs. Tegen het einde van de 15e eeuw hadden deze gezelschappen ‘vander Rethorique’ vooral in Vlaanderen een aanzienlijke culturele en maatschappelijke macht verworven. Later volgden ook Brabant, Zeeland en Holland. Er werden onder meer dichterswedstrijden ingericht waarbij de vorm van het gedicht onderworpen was aan strenge regels. Behalve de populaire ballade waren ook andere dichtvormen zoals het rondeel, het ketendicht en het achrosticon erg in trek. Tijdens ‘landjuwelen’ gingen de verschillende rederijkerskamers met elkaar in competitie.

Deze ‘kamers’ zouden de Nederlandstalige literatuur vanaf de 15e tot een stuk in de 16e eeuw beheersen. Bijna iedereen die zich met literatuur bezighield werd lid van een rederijkerskamer of was er nauw bij betrokken. Zo schreef Joost van den Vondel na de stichting van “Den Amsterdamschen Schouwburg” (de bekroning van het rederijkersleven) in 1637 zijn

Gijsbreght van Aemstelvoor de inwijding van dit eerste Nederlandse nationale theater.

Mogelijk de bekendste en talentrijkste ‘rederijker’ was de Antwerpse dichteres Anna Bijns , die meesterlijke “refereinen” (gedichten) schreef die met de beste van de rederijkers kon wedijveren. Waarschijnlijk zal ze omwille van haar sekse echter geen lid geweest zijn van een rederijkerskamer. Het verbitterde haar dat ze ondanks haar kunst geen aanspraak kon maken op de status van rederijker. Het verplichtte haar ook om aan minder hoogstaande evenementen deel te nemen, waar het publiek niet altijd even fijngevoelig was. In een variant van ‘parels voor de zwijnen zei ze in een ‘refreyn’ hierover:

“Tes verlooren Rosen voor soghen ghestroydt”

Andere bekende rederijkers waren de dichter Anthonis de Roovere die in Brugge op 17-jarige leeftijd tot ‘Prince’ werd verkozen, en Peter van Diest, de auteur van de succesrijke moraliteit

Elckerlijc.

Renaissance

De cultuurbeweging die in de 14e eeuw in Italië was begonnen

(de Italiaanse renaissance)kenmerkte zich door een grote interesse voor de klassieke Griekse en Romeinse auteurs en het navolgen en commentariëren van die auteurs in de (Toscaanse) volkstaal. Tegen omstreeks 1550 leek de renaissance in de volkstaal ook in de Lage Landen te zijn doorgedrongen. Ook in onze literatuur kreeg het wereldlijke meer aandacht dan tevoren, en noordelijke humanisten als Erasmus genoten onder Europese intellectuelen veel aanzien. Kenmerken van deze periode zijn:

wereldse thematiek wint veld tegenover bijbelse symboliek
invloed van het humanisme (en klassieke auteurs) en de reformatie
beoefening van nieuwe genres zoals tragedie, embleem, sonnet, martelaarsliederen en geuzenliederen

Na 1585 (de verovering van Antwerpen door de Spanjaarden) ontstond een breuk tussen noord en zuid. In de 17e eeuw beleefde de Republiek een ‘Gouden Eeuw’, terwijl het zuiden de katholieke invloed van de contrareformatie onderging. De literatuur in de Zuidelijke Nederlanden behield daardoor een hoofdzakelijk rooms-katholiek karakter.

Belangrijke literaire auteurs uit deze periode zijn onder meer Pieter Corneliszoon Hooft, Jan van der Noot, Dirck Volkertsz. Coornhert, Gerbrand Adriaensz. Bredero, Constantijn Huygens, Jacob Cats en Joost van den Vondel.

Frans-classicisme

Ook het Frans-classicisme inspireert zich op klassieke auteurs. In deze stroming werd navolging echter verbonden aan strengere regels en het classicisme streeft naar het voorbeeld van eigentijdse Franse schrijvers als Pierre Corneille ook een grotere helderheid na. In de Nederlanden kan 1669 als begindatum van het classicisme worden vooropgesteld. Dat jaar werd immers het eerste classicistisch dichtgenootschap Nil Volentibus Arduum

(Niets is onmogelijk voor hen die willen)opgericht.

Belangrijke auteurs uit deze periode zijn onder meer Andries Pels, Pieter Langendijk, Jan Luyken en Hubert Kornelisz. Poot. Voorbeelden van toneelstukken uit deze periode:

Achilles (1719) van Balthazar Huydecoper, een tragedie in Frans-classicistische stijl.

Eneas en Turnus (1705) van Lucas Rotgans wordt beschouwd als het beste voorbeeld van een klassiek drama in het Nederlands. [2]Het Wederzijds Huwelijksbedrog (ca. 1714), een komedie van Pieter Langendijk.

Verlichting ca. 1730 – ca. 1800

Een van de bekendste werken uit deze periode was Willem van Harens episch gedicht

Frisouit 1741 waarin hij het lot beschrijft van de legendarische eerste koning der Friezen. In zijn portrettering van Friso toont Van Haren zich een ware discipel van het 18e eeuwse rationalisme en van de Verlichting. Friso is het prototype van de moderne koning, de verlichte vorst die bij het bestuur van zijn land slechts aanvaardt wat de rede hem ingeeft. Zijn tijdgenoot Willem Bilderdijk zou met verve deze vorm van rationele en verlichte literatuur bestrijden en in de periode van de romantiek wedijveren voor een meer christelijk geëngageerde literatuur.

Na 1750 werden veel literaire genootschappen opgericht, en daar begon voor de meeste schrijvers ook een carrière in de letteren. Als nieuw genre uit deze tijd kunnen de

spectatorsgenoemd worden, weekbladen die de middenklasse als doelpubliek hadden, en dezedenkundige briefroman.

De belangrijkste auteurs en teksten uit deze periode waren:

Justus van Effen (1684-1735) importeerde de formule van de ‘spectators’ uit het buitenland. In 1731 verschijnt het eerste nummer van de Hollandsche Spectator .
Hiëronymus van Alphen (1746-1803), vooral bekend om zijn kindergedichten in de bundel Proeve van kleine gedigten voor kinderen uit 1778.
Betje Wolff (1738-1804) die zowel apart als samen met haar vriendin Aagje Deken publiceerde. Van hun zedenkundige briefromans is vooral Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart uit 1782 bekend geworden.
de Zeeuwse dichter Jacobus Bellamy (1757-1786) publiceerde (anoniem) Gezangen mijner jeugd (1782) en het patriottistische Vaderlandsche gezangen van Zelandus (1783).
Rhijnvis Feith (1753-1824) werd bekend als criticus en als sentimenteel auteur van de roman Julia uit 1783.

Overgangsfase 1800 – 1820

In deze periode loopt de Verlichting ten einde en wordt de invloed van de romantiek sterker. Vooral het zuiden had geleden onder het Frans Napoleontisch bewind (1790-1813). Theaters die Nederlandse stukken opvoerden werden gesloten, Nederlandse boeken en tijdschriften waren verboden en het onderwijs werd bijna volledig verfranst. Pas na het vertrek van de Franse bezetters in 1813 bloeide het letterkundig leven terug op. Literatuur in die tijd was veelal te beluisteren in genootschappen en sociëteiten waar werd voorgedragen. Er bloeit een vorm van nationalisme op, die expressie vindt in gedichten als

Wien Neerlands bloedvan Hendrik Tollens en zeer uitgesproken inDe Hollandsche natievan Jan Frederik Helmers.

Romantiek ca. 1820 – ca. 1840

Poëzie is eenzelvig. Zij is uitstorting van overstelpend gevoel

— Bilderdijk

De romantische beweging was in de Lage Landen veel minder uitgesproken dan bijvoorbeeld in Engeland. De Nederlandstalige auteurs werden vooral beïnvloed door Engelse romantici als Walter Scott en Lord Byron. De Nederlandse literatuur begeeft zich in deze periode op twee paden: sommigen volgden Willem Bilderdijk en Het Réveil, anderen werden vooral geïnspireerd door Walter Scott en zijn historische romans. Auteurs in dit laatste genre waren onder meer Aernout Drost , Jacob van Lennep, Jan Frederik Oltmans, A.L.G. Bosboom-Toussaint, en in Vlaanderen Hendrik Conscience. In deze periode ontstond ook het literair tijdschrift De Gids (1837 tot heden).

Enkele belangrijke auteurs:

Willem Bilderdijk (1756-1831) liet een oeuvre na van ongeveer 300.000 versregels. Zijn werk onderging duidelijk de invloed van de romantiek.
Isaäc da Costa (1789-1860), een leerling van Bilderdijk; ook zijn poëzie is doordrenkt van religieuze gevoelens.
de dichters Hendrik Tollens en Jan Fredrik Helmers (de dominee-dichters )
de prozaschrijver David Jacob van Lennep en zijn zoon Jacob van Lennep.
schrijvers van historische romans zoals Margaretha de Neufville met De Schildknaap (1829), en Hendrik Conscience met De Leeuw van Vlaanderen of de slag der gulden sporen (1838).

Een groep van dichters, onder wie J.J.L. ten Kate en A. Winkler Prins zich het actiefst toonden, verzetten zich tegen het gedweep met het romantisme. In hun volledig in versvorm geschreven satirische tijdschrift

Braga(1842) steken zij de draak met vooral Byron en Beets.

Realisme ca. 1840 – ca. 1880

Er kwam niet ineens een scherpe breuk met de romantiek in deze periode. Als uitloper van het romantische genre kan bijvoorbeeld de zogenaamde

humorcultusgezien worden. De bekendste auteurs in dit genre zijn de dichters Gerrit van de Linde (alias de Schoolmeester) en François Haverschmidt (alias Piet Paaltjens). Ze maken gebruik van situaties uit de realiteit, maar overdrijven dit zodanig dat het absurd wordt. Er werden ook nog net als voorheen historische romans geschreven. Wat bij het realisme wel duidelijk naar voren kwam, was dat critici vooral geïnteresseerd waren in debedoelingvan het werk, dus of hetstichtelijkwas, of het de lezer eenvoorbeeldvoorhield enzovoort.

Een nieuw genre dat opgang maakte waren de zogenaamde

fysiologieën, waarbij individuen werden beschreven die model stonden voor een bepaalde groep. Nicolaas Beets (Hildebrand) beschreef bijvoorbeeld een boerin op zodanig typerende manier dat de lezer een beeld kreeg van ‘de boerin’. Hetzelfde met ‘de student’ bij Johannes Kneppelhout, die het over ‘de student’ had terwijl hij een hele groep wilde typeren.

De

tendensliteratuurbeoogde ook verhalend proza met een onverhulde boodschap te brengen. Het genre was al wereldwijd bekend door Harriet Beecher Stowe’s aanklacht tegen de slavernij in de romanUncle Tom’s Cabin. In de Nederlanden was de belangrijkste vertegenwoordiger van dit genre Multatuli, die in zijn Max Havelaar (1860) met meesterschap het Nederlands bestuur in Nederlands-Indië bekritiseerde. Ook Jacob Jan Cremer had voordien al veel succes met zijn novelleFabriekskinderen, een bede doch niet om geld(1863), die een aanklacht was tegen kinderarbeid in de fabrieken.

Op gebied van vorm wordt nu aan een sobere schrijfstijl de voorkeur gegeven boven het bombastische uit de romantiek. Het realisme durft ook taboes te doorbreken: Jacob van Lennep beschrijft in

Klaasje Zevensteruit 1866 een bordeel en Conrad Busken Huet behandelt in zijn romanLidewijdeuit 1868 het probleem van de echtscheiding. Guido Gezelle, tot slot, maakt in zijn poëzie gebruik van alledaagse woorden in het West-Vlaams dialect om zijn gevoelens te uiten.

Moderne letterkunde 1880-1945

De Tachtigers ca. 1880 – ca. 1894

Ja, Revolutie, algeheele Revolutie tegen u, ouwelijke heren!

— Kloos

De generatie schrijvers die de literatuur wilden vernieuwen vanaf 1880 zagen zichzelf als revolutionairen.

“Ja, Revolutie, algeheele Revolutie tegen u, ouwelijke heren…”declameerde Willem Kloos tegen de ‘oude heren’ van de “Gids-kliek”. De kunst mocht in hun visie geen ander doel dienen dan de kunst zelf en er kwam een sterke benadrukking van het esthetische, de symboliek in de kunst en de eigenheid van de individuele kunstenaar. De Nieuwe Gids (1885) is het tijdschrift van de Tachtigers. Belangrijke vertegenwoordigers van de Tachtigers zijn:

Willem Kloos
Albert Verwey
Louis Couperus
Frederik van Eeden
Marcellus Emants
Lodewijk van Deyssel
Herman Gorter

De Negentigers ca. 1890 – ca. 1910

Drongen niet woorden tot mij binnen Buiten den weg der doove zinnen

— Boutens (‘Stemmen’)

Kenmerkend voor de periode is dat wat afstand wordt genomen van het individualisme, het sensitivisme en de aandacht voor de waarneembare werkelijkheid. Door de poëzie krijgt symbolisme in de literatuur meer belang. Zo is er ook meer interesse voor mystiek en occultisme. In het algemeen kan ook worden gesteld dat auteurs op een meer bezonken manier willen reflecteren op de metafysische grondslagen van de werkelijkheid. Ook het uitdrukken van ideeën die de maatschappij ten goede kunnen komen wordt nu belangrijk gevonden: kunst als

gemeenschapskunst. Prominente auteurs en symbolisten uit deze periode zijn J.H. Leopold, Pieter Cornelis Boutens en de Vlaming Karel van de Woestijne. Als ‘gemeenschapskunstenaars’ gelden Albert Verwey (hoofdredacteur vanDe Beweging) en de socialistische dichteres Henriette Roland Holst wiens bundelDe Nieuwe Geboortin 1902 verscheen, toen ze zich pas tot het socialisme had bekeerd. [3]

In dit Fin-de-siècle-klimaat wordt ook

Van Nu en Straksopgericht (1893), het eerste moderne Vlaamse tijdschrift, dat als reactie tegen het provincialisme meer aansluiting zocht bij internationale kunststromingen. Redactieleden van het eerste uur waren Cyriel Buysse, Emmanuel De Bom, Prosper Van Langendonck en August Vermeylen. Ook Stijn Streuvels, Herman Teirlinck en anderen droegen door hun werk bij aan de hoge bloei van de Vlaamse literatuur in deze periode.

Neoclassicisme en neoromantiek

De dichters J.C. Bloem en A. Roland Holst zijn de drijvende krachten achter de ‘generatie 1910’ die in het tijdschrift

De Bewegingde nieuwe generatie vertegenwoordigen. In deGeschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885-1985spreekt Ton Anbeek niet over ‘generatie 1910’ maar over hetneoclassicisme. De dichters van deze stroming zetten zich af tegen de Tachtigers. In hun poëzie keren zij terug naar een vaste vormentaal, en het streven naar originele beeldspraak krijgt bij hen een minder prominente plaats. Eigenlijk is het dus een terugkeer naar de traditie die deze jonge dichters vooropstellen. Onder hen bevindt zich ook de dichter Geerten Gossaert, die spreekt over debezielde retoriekvan deze nieuwe generatie, die de traditie met een oorspronkelijke stem tracht te combineren.

Ook in proza is er een reactie tegen het voorgaande naturalisme. De

romanciers, zoals ze zichzelf noemen, hebben niet genoeg meer aan een objectieve beschrijving van de werkelijkheid. De aandacht voor het heden maakt bijvoorbeeld plaats voor verhalen over een gedroomd verleden. De bekendste schrijvers in dat genre – datneoromantiekwordt gedoopt – zijn Arthur van Schendel (Een zwerver verliefd, 1904) en Aart van der Leeuw (Ik en mijn speelman, 1927).

Avant-garde en modernisme 1916-1930

De term

modernismeverwijst hier in het algemeen naar de vernieuwing binnen de literatuur zoals die optrad in het interbellum (de periode tussen de twee wereldoorlogen) en meer in het bijzonder naar de stroming die het vernieuwende proza beschrijft tussen 1920 en 1940. Niet alleen binnen de literatuur maar ook bij de beeldende kunsten ontstonden na de eerste wereldoorlog allerlei experimentele kunststromingen die zich afzetten tegen bestaande traditionele opvattingen. Zo vond het expressionisme van schilders als Franz Marc en Permeke een tegenhanger in het Vlaamse literaire expressionisme van Paul van Ostaijen. Deze laatste zou evolueren naar dadaïstische dichtvormen, waarbij elke binding met de werkelijkheid lijkt weg te vallen, een vorm die getypeerd wordt door een zeer vrije typografie en bladspiegel.

Tijdschriften die de bode speelden van de vernieuwing van de avant-garde waren het Vlaamse

RuimteenHet Getijmet Herman van de Bergh, enDe Vrije Bladenmet Hendrik Marsman in Nederland.

In de periode 1920-1940 schreven een aantal auteurs die weliswaar tot het modernisme gerekend worden, maar dan van een soort dat niet-avantgardistisch is: Carry van Bruggen met haar scherpzinnig analyserende romans, de literaire broeders Menno ter Braak en E. du Perron met essayistiek en ander proza, en de sonneterende Martinus Nijhoff als advocaat van het gewone woord in de moderne poëzie. Tijdschriften die tijdens het interbellum toonaangevend waren, zijn

Forum(1932-1935), waarvan ter Braak samen met Du Perron de redactie aanvankelijk aanvoerde, enCriteriumdat in 1940 werd opgericht door jonge literators. Bertus Aafjes werkte er voor, alsook Anton van Duinkerken en Ed. Hoornik.

Interbellum 1930-1940

Is het dan niet meer voldoende om een vent te zijn?

— Ter Braak

De invloedrijkste tijdschriften uit deze periode zijn

ForumenCriterium, en verder ookHet GetijenDe Vrije Bladen. Binnen Forum barstte een controverse los over de ‘Vorm of Vent’ kwestie, een discussie over aard en functie van de poëzie. Voorstanders van een autonome vormentaal in de poëzie waren Nijhoff, Marsman en van Ostaijen, terwijl anderen de communicatieve, ethische opdracht van de dichter minstens even belangrijk vonden als het esthetische en creatieve aspect. Ter Braak en zijn vriend Du Perron waren die mening toegedaan.“Is het dan niet meer voldoende om een vent te zijn?”riep Ter Braak pathetisch uit, nadat hij kennis nam van de bloemlezing van D.A.M. Binnendijk, die in zijn keuze duidelijk zijn voorkeur voor de eerste categorie dichters liet blijken. [4] Volgens de aanhangers van deVent-richting, riskeerde poëzie steriel te worden als zij te zeer geconcentreerd was op vorm en het levensbeschouwelijke veronachtzaamde.

Binnen de redactie van

Forum, dat dus een gewone taal voorstond en de ‘sierpoëzie’ verwierp, zetten ter Braak en Du Perron de toon, met medewerking van de belangrijkste Belgische romanschrijvers van het ogenblik: Maurice Roelants, Marnix Gijsen, Gerard Walschap en Willem Elsschot. De dichters Jan Greshoff en J. Slauerhoff behoorden ook tot de groep rond hetForum.

Los van

Forumwerkten Nederlands ‘top drie’ romanciers uit het interbellum: Simon Vestdijk, Ferdinand Bordewijk en Arthur van Schendel.

Een van de belangrijkste dichters van zijn generatie en van de Nederlandse literatuur in zijn geheel, is Gerrit Achterberg. Hij wijdde zich volledig aan de poëzie. In 1931 publiceerde hij zijn eerste bundel

Afvaarten bleef tot aan zijn dood werken aan hetzelfde thema: het negotiëren met de dood over het terugbrengen van zijn gestorven geliefde. [5]

Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Nederlandsche Kultuurkamer opgericht. Dit was een instantie waar van de bezetter alle Nederlandse kunstenaars lid van moesten worden, indien zij hun beroep tenminste wilden blijven uitoefenen. Bij deze groep sloot zich ca. 30% van de Nederlandse schrijvers aan. De meeste kunstenaars die zich bij de Nederlandsche Kultuurkamer hadden aangesloten werden na de oorlog echter als collaborateurs beschouwd en in zogeheten ereraden veroordeeld. De ereraad voor de letterkunde werd voorgezeten door Ferdinand Bordewijk, die de meeste collaborateurschrijvers tot een publicatieverbod van enkele jaren veroordeelde.

Schrijvers die tijdens de oorlog niet collaboreerden hadden het erg moeilijk. Als ze al niet in kampen werden opgesloten (zoals bijvoorbeeld met Simon Vestdijk gebeurde) konden ze niet in het openbaar publiceren. Sommigen schreven in clandestiene tijdschriften zoals

Het Parool,TrouwenVrij Nederland. De literatuur uit de oorlogsjaren bestaat hoofdzakelijk uit verzetspoëzie, waarvan een deel al tijdens de oorlog werd bijeengebracht in bundels zoals hetGeuzenliedboek(1943) enHet vrij Nederlands liedboek. Een zeer bekend geworden verzetsgedicht isDe achttien dodenvan Jan Campert, dat tevens de eerste uitgave van De Bezige Bij was.

Moderne letterkunde 1945-heden

Ontluisterend realisme

De oorlog heeft de schrijvers uit deze periode getekend in de manier waarop ze de werkelijkheid ervaren en beschrijven. Na de oorlog is er een omslag merkbaar. De vernieuwing, die in literatuurgeschiedenissen als

Ontluisterend realismezal worden beschreven, wordt ingezet door voornamelijk drie auteurs: Gerard Reve, W.F. Hermans en Anna Blaman. Het idealistische lijkt wel te zijn verdwenen uit hun proza. In de plaats komt de beschrijving van de rauwe werkelijkheid, de onmenselijkheid, en veel aandacht voor lichamelijkheid en seksualiteit. In Vlaanderen zijn Hugo Claus en Louis Paul Boon de belangrijkste vertegenwoordigers. Samen richten zij in 1949 het tijdschriftTijd en Mensop, dat in 1955 zal fuseren metPodium.

De Vijftigers

De dichters, bekend als

Vijftigers, verwerpen de bespiegelende lyriek van het interbellum ten gunste van een meer experimentele stijl. Daarbij inspireren ze zich op dada, het surrealisme, primitieve kunst en kindertekeningen. Hiermee beogen ze zo veel mogelijk de rede uit te schakelen en beroep te doen op gevoel, vrije associatie en intuïtie. Hun poëzie wil vooral vrij zijn, los van alle regels. De bekendste Vijftigers zijn Lucebert en Hugo Claus – die beide eerst ook lid waren van Cobra- en Gerrit Kouwenaar. Een typische uitspraak van Lucebert in verband met hun visie op poëzie is:“Schoonheid heeft haar gezicht verbrand”, waarmee hij bedoelt dat kunst anti-esthetisch dient te zijn.

In de eerste verspreiding van de ideeën van de Vijftigers waren vooral twee tijdschriften van belang:

Braak(1950), onder redactie van Remco Campert en Rudy Kousbroek, enBlurb, een in 1950 door Simon Vinkenoog opgestart tijdschrift dat enkele jaren onregelmatig verscheen.

De jaren zestig

Als reactie op de vrije opvattingen van de vijftigers ontstaat een neorealistische stroming in de poëzie, met dichters als K. Schippers en J. Bernlef. Deze opvatting, wezenlijk een antidotum tegen Cobra, stelt dat ook de realiteit een vorm van kunst is. Het onderscheid tussen kunst en werkelijkheid valt bij hen weg. Zo vinden ze bijvoorbeeld in stukken reclametekst waardevolle poëzie. Typerend is ook het afwijzen van beeldspraak en de persoonlijke gevoelens van de kunstenaar. De indruk die zulke gedichten maken is vaak niet erg ‘dichterlijk’. De verwantschap met het Amerikaanse pop-art is opvallend. Ook hier worden immers dagelijkse gebruiksvoorwerpen los van hun gewone context gepresenteerd. De belangrijkste auteurs (Schippers en Bernlef) publiceren in het Amsterdamse tijdschrift

Barbarber. Wanneer in 1957 Paul Snoek de redactie van het avant-gardistische Vlaamse tijdschriftGard Sivikverlaat (wat later gevolgd door Gust Gils en Hugues C. Pernath), nemen Rotterdamse dichters als Armando en Hans Sleutelaar de redactie over. In 1965 gaatGard Sivikover in deDe Nieuwe Stijlvan Armando.

In deze periode worden nog steeds romans geschreven in de traditie van het naoorlogs realisme, bijvoorbeeld Jan Wolkers debuutroman

Kort Amerikaansuit 1962. Er ontstaat echter een stroming, ‘het ‘Ander proza’ [6] genoemd, die het einde van de roman aankondigt en geen vertrouwen meer heeft in de roman als spiegel van de werkelijkheid. Het is in deze periode dat Harry Mulisch geen fictie meer schrijft, maar zich concentreert op bespiegelende reportages. Een voorbeeld van zulk experimenteel proza isBreekwater(1961) van Sybren Polet. In zijn verhaal past hij een literaire kunstgreep toe om de werkelijkheidsillusie te doorbreken door de naam van de hoofdpersoon na twee bladzijden te veranderen. Identiteit wordt gezien als een fictieve constructie, en de chronologische opbouw van een verhaal is niet langer dwingend.

Vlaamse prozaschrijvers experimenteren in de jaren 60 ook met verschillende genres. Het stream-of-consciousness proza vindt men terug in werken van Hugo Raes, Ivo Michiels en Paul de Wispelaere. Ward Ruyslinck schreef satirische en allegorische romans, Jef Geeraerts’ romans dompelen de lezer onder in een gewelddadig koloniaal verleden en Walter van den Broeck maakt gebruik van een mengeling van autobiografie en sociale geschiedenis.

De jaren zeventig tot nu

Nederland

Reve, Hermans en Mulisch blijven romans schrijven in de traditie van het realisme, al is dat vooral in het geval van Mulisch vaak met symbolisme en mythe vermengd. In de jaren 70 groeperen een aantal jonge prozaschrijvers zich die (opnieuw) kleinschalige, voor iedereen bevattelijke verhalen wil vertellen. Zij schrijven samen het

Manifest voor de jaren zeventigin 1970. Onder hen bevinden zich Heere Heeresma en Mensje van Keulen. Hetmimetisch proza, zoals zij het zelf noemen, wil de werkelijkheid afbeelden zoals ze is. Behalve de mimetische groep zijn er ook auteurs zoals Frans Kellendonk die ‘antimimetisch’ en dus niet waarheidsgetrouw te werk willen gaan. DezeRevisor-groepgaat bijvoorbeeld uit van de realiteit maar overdrijft deze. Jeroen Brouwers zou hen in een polemisch essay uit 1979 met de titel ‘De Nieuwe revisor’ aanvallen met het verwijt de literatuur te ‘infantiliseren’. Behalve Kellendock werken nog enkel belangrijke auteurs rondom het tijdschriftDe Revisorzoals bijvoorbeeld Doeschka Meijsing (De kat achterna– 1977). Een Nederlands-Antilliaanse schrijver uit die periode is Frank Martinus(Dubbelspel – 1973).

Auteurs die behoren tot wat het postmodernisme wordt genoemd, zijn de romanciers Willem Brakman – met zijn ‘invalsgestuurde’ schrijfmethode – en Louis Ferron, die literair succes oogstte met zijn trilogie

Gekkenschemer(1974) /Het Stierenoffer(1975) /De Keisnijder van Fichtenwald(1976). Hun uitgangspunt is dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat die met taal kan beschreven worden. Zij stellen vitalisme en spontaniteit tegenover het te grote intellectualisme van hun modernistische voorgangers.

De jaren ’70 zijn ook de jaren van de tweede feministische golf, en een aantal schrijfsters geven de rol en de positie van de vrouw een prominente plaats in hun werk: Anja Meulenbelt met

De schaamte voorbij(1976), Renate Dorrestein met onder meerHet perpetuum mobile van de liefde(1988), Hannes Meinkema inEn dan is er koffie(1976), Margriet de Moor metEerst grijs dan wit dan blauw(1992) en anderen. In deze periode zien ook de literaire ‘vrouwentijdschriften’LoverenLust en gratiehet licht.

Een aantal Nederlandse auteurs worden ook veelvuldig vertaald. Cees Nooteboom ziet zichzelf in de eerste plaats als dichter, maar kende niettemin vooral succes met zijn reisverhalen en romans.

Rituelen(1980) kreeg met deMobil Pegasus Literatuur Prijsin 1982 zelfs internationale erkenning als beste niet-Amerikaanse roman. Ook de veelvuldig bekroonde romancière Hella Haasse, die reeds in 1945 debuteerde en nog steeds actief is, behoort tot een van Nederlands meest gelezen auteurs in het buitenland.

Vlaanderen

Na al de overvloed van literair talent dat in de vorige periode op het voorplan kwam, lijken de jaren 70 eerder ‘stille jaren’ te zijn voor Vlaanderen. In de jaren ’80 debuteerden in Vlaanderen enkele talentvolle auteurs: Leo Pleysier, Pol Hoste, Eriek Verpale, Eric de Kuyper en Monika van Paemel. In het midden van de jaren ’80 eiste een generatie jongere prozaschrijvers de aandacht op. Onder hen bevonden zich Kristien Hemmerechts, Patricia de Martelaere, Koen Peeters en de in alle genres opererende Tom Lanoye. Zij vonden een creatieve uitlaat in nieuwe tijdschriften als Kreatief, Yang, en De Brakke Hond. Allerlei uitersten van genres en stijlen worden vanaf dan door de meest diverse auteurs beoefend. Veelschrijver Herman Brusselmans met zijn bewust anti-literair scheldproza, Peter Verhelst met hallucinante romans als

Tongkatuit 1999, en Erwin Mortier met het psychologisch subtieleMarceluit 1999.

In Vlaanderen zijn de meest vooraanstaande poëtische stemmen vanaf 1980 Leonard Nolens en de jongere dichters Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en Peter Verhelst.

Kenmerken van de (post)moderne roman

Enkele kenmerken van de moderne Nederlandstalige roman (1990-nu) , voor zover die nu al kan worden overzien:

In romans van de laatste jaren speelt de buitenwereld weer een rol. Verhalen over terroristen en oorlog ( factionromans e.d.)
Verteller, auteur en personages zijn niet altijd zo streng gescheiden als bijvoorbeeld in de 19e eeuwse roman. Zo beschrijft Arnon Grunberg personages die net als hijzelf in New York wonen, schrijver zijn etc.
Geen scherpe afscheiding meer tussen de genres, zoals fictie en non-fictie.
Proza dat geëngageerd is, maar niet moralistisch. Vaak komen bijvoorbeeld verschillende visies en ‘stemmen’ aan bod die het verhaal vanuit hun eigen perspectief vertellen. Zo schrijft Hafid Bouazza over generatieproblematiek door zo veel mogelijk betrokkenen aan het woord te laten.
Moderne auteurs vermengen teksten van anderen in hun eigen werk, waardoor een soort intertekstualiteit of collage ontstaat. Dat kunnen bijvoorbeeld citaten van klassieke schrijvers zijn, liedjes, spreekwoorden of krantenartikelen.
Het lineair en chronologisch vertellen van een verhaal maakt plaats voor vertelling via flashbacks, sprongen in de tijd of herinneringen.

Kenmerken van de postmoderne poëzie

Kijk maar, zeg je, en je wijst: een rorschachtest, een postmodern gedicht zwermt uit over de vloer.

— Uit

Verhemelte, 1992, Peter Verhelst

Joosten en Vaessens hebben getracht te formuleren wat de postmoderne kenmerken zijn van recente poëzie. Hun uitgangspunt is dat het postmoderne gedicht niet langer poogt een zinvolle eenheid te bieden, of een authentieke dichterlijke stem wil laten horen. Met de volgende drie kenmerken ‘ontregelt’ het de traditionele poëzie:

Het gedicht is ‘onaf’, is niet strikt gestructureerd en pretendeert geenszins een samenhangend beeld van de werkelijkheid te schetsen.

Forgrounding van het gedicht en niet van de dichter. Oorspronkelijkheid wordt tussen haakjes gezet, bijvoorbeeld door fragmenten tekst van anderen in te voegen.
Er schemert geen achterliggend wereldbeeld door dat het gedicht binnen een levensbeschouwlijke context plaatst

Buitenbeentjes

De onnavolgbare Carmiggelt ontving in 1974 de hoogste Nederlandse literaire onderscheiding: de P.C. Hooft-prijs, een eerbetoon van het soort dat slechts weinig columnisten te beurt was gevallen. Enkele jaren voordien, in 1971, was de populaire auteur Godfried Bomans gestorven, een andere humoristische schrijver waar de literaire kritiek niet goed weg mee wist. Beide auteurs etaleerden echter een dusdanig meesterschap over de Nederlandse taal dat ze niet mogen ontbreken in een overzicht van de Nederlandse literatuur. Annie M.G. Schmidt is ook zo’n literair buitenbeentje. Zij schreef voornamelijk liedjesteksten, kinderverzen, toneelstukken en cabaretteksten, en ontving in 1987 de Constantijn Huygensprijs voor haar hele oeuvre.

Literaire prijzen

De Prijs der Nederlandse Letteren is de belangrijkste literaire prijs van België en Nederland, die sinds 1956 om de drie jaar wordt uitgereikt.

Tekstverantwoording

De basistekst voor dit artikel schreef ik voor de Nl Wikipedia onder mijn accountnaam aldaar.


Engelse literatuur

Eerste pagina uit Beowulf

Tekstverantwoording

De basistekst voor dit artikel schreef ik voor de Nl Wikipedia onder mijn accountnaam aldaar.


Oudengelse literatuur

In de vroege Britse cultuur was de mondelinge traditie nog zeer sterk en de meeste werken werden geschreven om opgevoerd te worden. Epische gedichten waren dus heel populair en vele ervan, Beowulf inbegrepen, zijn tot op heden bewaard in het rijke corpus van de Angelsaksische literatuur, nauw verwant aan de Noorse en vooral IJslandse literatuur. Heel wat van de Angelsaksische verzen in de voorhanden manuscripten zijn waarschijnlijk een “mildere” adaptatie van oudere Viking- en Germaanse oorlogsverzen van het Europese vasteland. Toen deze poëzie Engeland bereikte, gebeurde dat nog steeds door middel van mondelinge overlevering, van generatie op generatie. Het uitbundig gebruik van alliteratie en herhalen van medeklinkers was een techniek, bedoeld om de verzen beter te memoriseren. Deze rijmen zijn een kenmerk van Germaanse talen en onderscheiden zich van het in Romaanse talen gebruikelijke eindrijm en benadrukken van klinkers.

De eerste in Oudengels opgeschreven teksten verschenen in de middeleeuwen. De oudste ons overgeleverde tekst is het enkele regels tellende Cædmon’s Hymn (ca. 670). In deze eerste in het Engels bekende lofzang wordt verteld hoe Caedmon, een leek die op het landgoed van een klooster in Whitby in Northumbria werkt, de stem van God hoort. De monniken van Whitby bewaarden het werk. Christelijke monniken en nonnen waren namelijk de bewaarders van de (Engelse) cultuur in die tijd, want zij waren feitelijk de enigen die konden lezen en schrijven. Hoewel er ook hymnen in het Latijn bestonden, is het gros van wat zij bewaarden geschreven in het Oudengels, de taal van Angelen, Saksen en Juten. Kenmerkend is dat Caedmon’s Hymn en andere Oudengelse teksten zoals Deor (Deor’s Lament) en The Seafarer in de eerste persoon verteld zijn, en dat het telkens om belevenissen van gewone mensen gaat. The Seafarer en The Wanderer zijn samen met andere Oudengelse teksten bewaard in het Exeter Book (einde 10e eeuw), een manuscript dat uitsluitend poëzie bevat en nog steeds bewaard wordt in de bibliotheek van de Exeter-kathedraal in Devon.

Mogelijk de meest ‘christelijke tekst’ in het Oudengels is The Dream of the Rood, De Droom van het Kruis (ca. 700), een bijzonder visueel geschreven tekst met tal van verwijzingen naar Latijnse hymnen en liturgie waarin plezier en lijden, licht en donker, en aardse werkelijkheid met de zegen van de hemel tegenover elkaar worden geplaatst.

Oudengelse poëzie kenmerkte zich, behalve door alliteratie, door een opvallend gebruik van tropen, figuurlijke beschrijvingen waaruit de toehoorder zelf de letterlijke betekenis moest afleiden. Zo betekende ‘banhus’ (bone house) ‘menselijk lichaam’, en ‘hronrad’ (whale road) ‘de zee’. De gedichten waren meestal kort. Beowulf vormt een uitzondering en is het enige bekende lange epische gedicht. Ook de taalrijkdom valt op: zo zijn er voor vaak gebruikte woorden als strijd, koning, strijder, paard, schip, zee enzovoort talrijke alternatieven. Beowulf bevat ook meer dan 1000 van de hogergenoemde samenstellingen (‘kennings’) die mee het ritme van de versregels bepaalden.

De meeste Oudengelse dichters zijn anoniem, twaalf zijn bij naam bekend uit middeleeuwse bronnen, maar slechts vier daarvan zijn ons nu bekend door hun werken in de volkstaal: Caedmon, Beda, Alfred de Grote en Cynewulf. Deze laatste leefde in de 8e of 9e eeuw en was waarschijnlijk afkomstig uit Northumbria. Twee religieuze gedichten uit het Exeter Book zijn van zijn hand, en sommigen noemen hem ook als mogelijke auteur van The Dream of the Rood.

Willem De Veroveraar op het tapijt van Bayeux

Na 1066: invloed van de Franse taal en cultuur

De wereld van de Oudengelse literatuur schetst ons een harde mannenmaatschappij, met strijders en oorlogen waarin het individu zich met of zonder steun van zijn heer probeert staande te houden. Dit alles zou geleidelijk maar radicaal veranderen als gevolg van de Normandische verovering van Engeland in 1066. De Normandiërs staken vanuit Frankrijk het Kanaal over en wonnen de Slag bij Hastings, waardoor het koninkrijk Engeland in handen kwam van Willem de Veroveraar en zijn familie. Zij brachten ook de Franse cultuur en taal met zich mee en in de daaropvolgende twee eeuwen volgde een periode van integratie van de twee talen. Frans werd vanaf de 12e tot de late 14e eeuw volop in Engeland geschreven en gesproken, en het was pas na het verloren gaan van Franse bezittingen begin 13e eeuw dat de Normandische aristocraten bewust een meer ‘Engelse’ identiteit begonnen na te streven. Als gevolg van die vermenging van die twee culturen en talen begon de Middelengelse literatuur zich, onder invloed vooral van Franse minstrelen, zangers en dichters, op nieuwe thema’s te richten. De (hoofse) liefde die de troubadours in het Zuiden van Frankrijk bezongen verdrong nu in Engeland de zwaarmoedige literatuur van de krijger.

Middelengelse literatuur

Geoffrey Chaucer (Ellesemere manuscript)
De term Middelengelse literatuur verwijst naar de literatuur geschreven in een vorm van de Engelse taal in de periode vanaf 1066 (de Normandische verovering) tot ongeveer 1470.

Layamons Brut (ca. 1190 – 1215), ook bekend als De Kroniek van Groot-Brittannië, is een 16.095 regels lang gedicht in het Middelengels van de Engelse priester Layamon. Het vertelt de geschiedenis van Groot-Brittannië en is hiermee de eerste geschiedschrijving in het Engels sedert de Angelsaksische Kroniek.

Omstreeks de tijd dat Layamon zijn Brut schreef, was er ook een groeiende populaire traditie van liederen en ballades ontstaan, een minder ‘literaire’ tak van Middelengelse literatuur.

Van William Langland (ca. 1332 -. ca. 1386) wordt verondersteld dat hij de schrijver is van het 14e-eeuws Engelse droomvisioen Piers Plowman, een gedicht geïnspireerd op het plattelandsleven dat de Engelse tradities en Franse romance-invloeden samenbrengt.

Zonder meer de belangrijkste schrijver uit deze periode is Geoffrey Chaucer, vooral bekend door zijn Canterbury Tales. Chaucer zou ook meegewerkt hebben aan The Romaunt of the Rose, een gedeeltelijke vertaling in het Middelengels van de Franse allegorie, de Roman de la Rose. Ook zijn vriend John Gower schreef zijn bekendste werk, Confessio Amantis, in het Engels. Wat Chaucer betekende voor de Engelse poëzie, was Juliana van Norwich voor proza. Met haar mystieke teksten over haar openbaringen, The Sixteen Revelations of Divine Love, was zij de eerste belangrijke schrijver van Engels proza.

Schrijvers als Gower, Langland en Chaucer maakten deel uit van de culturele en literaire kring rond Londen, toen de hoofdstad van het koninkrijk Engeland. Dat koninkrijk strekte zich uit over verschillende regio’s in Frankrijk en het was ook hoofdzakelijk via Londen dat Europese invloeden Engeland bereikten. De Chancery Standard, een dialect gesproken in de omgeving van Londen werd toen de facto de standaardtaal, niet in het minst door de invoering van de drukpers in Engeland door William Caxton. Behalve in het dominante Londense Engels werden ook teksten in andere ‘provinciale’ dialecten geschreven, meestal anoniem. Enkele bekende voorbeelden hiervan zijn: Sir Gawain and the Green Knight, Patience, Pearl en Cleanness.

In deze periode ontstonden, vanuit de kerkelijke liturgie, vele religieus-getinte mysteriespelen en mirakelspelen. Een groot aantal daarvan is terug te vinden in bewaard gebleven cycli, die in verschillende Engelse steden werden opgevoerd, zoals onder meer de York-cyclus. Hieruit ontwikkelde zich de meer beschouwende en allegorische moraliteiten.

Enkele andere overgeleverde Middelengelse teksten:

  • The Owl and the Nightingale (ca. 1225), mogelijk geschreven door “Master Nicholas of Guildford” (die ook in het verhaal optreedt), is een gedicht over een debat tussen een ernstige uil en een levenslustige nachtegaal die op een komische wijze elkaars levensopvatting bekritiseren.
  • King Horn (ca. 1225) is de vroegste bekende romance in het Engels, een genre met de typische kenmerken van de Franse hoofse verhalen die zich nu tegen een Engelse achtergrond afspelen.
  • The Book of Margery Kempe, (ca. 1435) wordt beschouwd als de eerste Engelse autobiografie; het werd gedicteerd door een vrouw die niet kon lezen of schrijven.
  • John Lydgate, een bewonderaar van Chaucer, was zelf een enorm productief en getalenteerd dichter en schreef onder meer The Siege of Thebes (1420) in de stijl van zijn grote voorbeeld. Zijn boek over Troye (Troye Book, 1412-1420), is aanzienlijk langer dan Chaucers Troilus and Criseyde.

De laat-15e-eeuwse auteurs Sir Thomas Malory (Le Morte d’Arthur) en de als Poet Laureate gelauwerde satiricus John Skelton kunnen beschouwd worden als belangrijke overgangsfiguren van de Engelse literatuur van de middeleeuwen naar die van de hierna besproken renaissance.

Vroegmoderne Engelse literatuur

Met vroegmodern omschrijven we de periode in de ontwikkeling van de Engelse taal vanaf ongeveer het einde van de Middelengelse periode tot 1650. De eerste editie van de King James Bible valt hierin, alsook de werken van William Shakespeare. In de vroegmoderne periode werd een begin gemaakt met de standaardisatie van het Engels, die samenviel met de “Grote klinkerverschuiving waarbij de klinkers uit het Middelengels voortaan anders werden uitgesproken. Dit vroegmoderne Engels levert voor moderne sprekers van het Engels niet veel problemen op omdat het niet zo veel verschilt van het huidige Engels. Het is wel zo dat de spelling en de grammatica op een aantal punten afwijkt, en heel wat woorden mettertijd een andere betekenis kregen.

Periodisering vanaf vroegmodern Engels

Tudor-literatuur (1485-1603)

Christopher Marlowe

Deze periode valt samen met de heerschappij van de Tudordynastie vanaf hun eerste koning Hendrik VII (1457–1509) tot de culturele hoogbloei onder Elizabeth I (1558– 1603). Als alternatieve benaming wordt ook wel over Engelse renaissance gesproken.

Vooral onder koningin Elizabeth I kende Engeland een ongekende bloei van de literatuur, in het bijzonder op gebied van het drama. De Italiaanse renaissance had het oude Griekse en Romeinse theater herontdekt, wat een enorme stimulans betekende voor de ontwikkeling van nieuw eigentijds drama, dat hiermee uit het spoor trad van de middeleeuwse mysterie- en mirakelspelen. De Italianen lieten zich vooral inspireren door Seneca en Plautus, maar schuwden niet om hun drama’s met meer spektakel en bloedvergieten te kruiden dan Seneca’s ethiek het voorschreef. De Engelse toneelschrijvers waren geïntrigeerd door het Italiaanse model, geïntroduceerd in Londen door een groep Italiaanse acteurs. Giovanni Florio’s invloed vernoemen we hier in het bijzonder, doordat hij de Italiaanse taal en cultuur naar Engeland bracht. Het valt ook niet te ontkennen dat het tijdperk van koningin Elizabeth I zeer gewelddadig was, zodat de Italiaanse plots met politieke moorden, belichaamd door Niccolò Machiavelli’s werk, gretig gesmaakt werden door de Engelse toeschouwers. Het ten tonele voeren van dit soort geweld was waarschijnlijk ook een vorm van catharsis voor wie er naar keek. Als voorbeeld noemen we The Spanish Tragedy van Thomas Kyd, die meteen de aanzet gaf voor een nieuw genre: de wraaktragedie (revenge tragedy of revenge play) waarin het motief van wraak en bloedige vergelding de Engelse harten sneller deed slaan.

Elizabeth I

Andere belangrijke figuren in het Elizabethaans theater zijn Thomas Dekker en Christopher Marlowe. Was Christopher Marlowe (1564-1593) niet op 29-jarige leeftijd doodgestoken, zegt Anthony Burgess, dan zou hij Shakespeare mogelijk hebben kunnen evenaren. Marlowe werd op een paar weken na ongeveer gelijk met Shakespeare geboren en moet hem goed gekend hebben. Marlowe’s onderwerpen waren echter verschillend. Hij richtte zich meer op de tragiek van de renaissancemens, op de nieuwe wetenschappen en Germaanse mythen, zoals die over de wetenschapper en magiër Doctor Faustus.

De belangrijkste dichters uit deze periode zijn Edmund Spenser en Sir Philip Sidney. En natuurlijk mogen we koningin Elizabeth I niet vergeten, die zelf gelegenheidsgedichten schreef zoals On Monsieur’s Departure. Dichters die wat in de schaduw van Shakespeare werkten, maar niettemin belangrijk waren, zijn Francis Beaumont en John Fletcher die met grote waarschijnlijkheid Shakespeare hebben geholpen bij het schrijven van sommige van zijn drama’s.

William Shakespeare (1564-1616)

Voortbouwend op vroege Elizabethaanse drama’s zoals Gorboduc van Thomas Sackville en Thomas Norton, en The Spanish Tragedy van Kyd – dat het materiaal leverde voor Hamlet – rijst de figuur op van Shakespeare als dichter en toneelschrijver. Hij ontbeerde de universitaire opvoeding die andere tijdgenoten van hem wel hadden genoten, maar dat belette hem niet om zijn talent te ontplooien. Hij schreef gemiddeld twee toneelstukken per jaar en dit gedurende 20 jaar, eerst komedies en historiestukken, daarna tragedies en ten slotte romances. Zijn tragedies kenden veel succes, maar het zijn vooral de stukken die hij op rijpere leeftijd schreef die hem eeuwige literaire roem bezorgden: Hamlet, Romeo and Juliet, Othello, King Lear, Macbeth, Antony and Cleopatra en The Tempest. Shakespeare populariseerde ook het Engels sonnet dat verschilde van de klassieke Italiaanse sonnetvorm. Bij zijn dood in 1616 was slechts de helft van zijn stukken gedrukt. Het ging om 19 quarto‘s, piraatversies die vaak van bedenkelijke kwaliteit waren. Ongetwijfeld geprikkeld door deze gang van zaken besloten twee van zijn collega-acteurs in 1623 een verzameleditie uit te brengen met 36 van zijn toneelstukken. Deze uitgave, die de titel Comedies, Histories and Tragedies draagt, is gekend als de First Folio. Zonder dit initiatief zouden meesterwerken zoals Macbeth en The Tempest verloren zijn gegaan.

De 17e eeuw (1603-1674)

Na Shakespeares dood werd de dichter en toneelschrijver Ben Jonson de leidende literaire figuur. Jonson is een meesterlijke stilist en briljante satireschrijver. Navolgers van Jonsons stijl zijn onder meer Beaumont en Fletcher, die de knappe komedie The Knight of the Burning Pestle schreef.
Het revenge play – geïntroduceerd door Thomas Kyd en John Webster – bleef ook in deze periode heel populair. Ook George Chapman oogstte succes met zijn subtiele drama’s met wraakmotief. De King James Bible die in 1611 verscheen, zou bekend blijven als een van de grootste literaire meesterwerken in het Engels. Behalve Shakespeare, die de vroege 17e eeuw domineerde, waren de belangrijkste dichters uit deze periode John Donne en andere metaphysical poets.

Midden 17e eeuw, onder koning Karel I, was Engeland verscheurd door een burgeroorlog. Als gevolg daarvan kende het schrijven van politieke pamfletten door sympathisanten van beide partijen (koningsgezinden tegenover aanhangers van Oliver Cromwell) een grote bloei. Leviathan van Thomas Hobbes werd een van de belangrijkste werken van de Britse politieke filosofie. In dezelfde periode verschenen heel wat nieuwe boeken en werd er ook een begin gemaakt met voorlopers van het Britse dagblad. Journalisten als Henry Muddiman, Marchamont Needham en John Birkenhead gaven hierin de standpunten van de strijdende partijen weer. Auteurs van dergelijke werken werden echter vaak vervolgd en gearresteerd, zodat de drukpersen noodgedwongen ondergronds gingen. John Milton wierp zich met zijn schitterend politiek pamflet Areopagitica op als verdediger van de persvrijheid. Aan het begin van die burgeroorlog (1642) werden alle theaters gesloten, om pas een generatie later in 1660 terug open te gaan in de veranderde samenleving van de Engelse restauratie. Tijdens de burgeroorlog schreven de cavalier poets, een groep dichters die het regime van koning Karel I steunden, een lichtere vorm van poëzie over seculiere onderwerpen. De bekendsten onder hen waren Ben Jonson, Robert Herrick, Richard Lovelace, Thomas Carew, en John Suckling. Andrew Marvell maakte enkele van de meest opmerkelijke gedichten van de 17e eeuw, zoals bijvoorbeeld To his coy mistress (‘Aan zijn bedeesde geliefde’) waarin hij sterfelijkheid als argument gebruikt om een meisje te overhalen haar maagdelijkheid op te geven.

Restauratie en 18e eeuw (1660-1780)

John Dryden
De literatuur geschreven tijdens de periode van de Restauratie correspondeert met de laatste jaren van het regime van de Stuarts in Engeland, Schotland, Wales en Ierland. In het algemeen kunnen we zeggen dat het gaat om een vrij homogeen geheel van teksten en stijlen als reactie tegen of verdediging van de terugkeer van het koningschap onder Karel II. Bekend uit deze periode zijn onder meer de komedies van John Dryden, William Wycherley en George Etherege over het leven aan het hof. John Dryden, die Cromwells dood nog had bezongen in heroïsche stanza’s (1659), evoceerde in zijn gedicht Astrae Redux de terugkeer van de koning per schip. Ook bij Edmund Waller, die voordien Cromwell prees, zien we iets gelijkaardigs. Karel II’s terugkeer bracht heel wat dichterlijke pennen in beweging. In deze periode verscheen ook John Miltons epische gedicht Paradise Lost (1667).

Jonathan Swift publiceerde zijn klassiek geworden Gulliver’s Travels in 1726. Proza tijdens de Restauratie werd gedomineerd door christelijke schrijvers, er werd echter ook een begin gemaakt met twee nieuwe genres die latere periodes zouden gaan domineren: fictie en journalistiek. Het begin van de Engelse roman valt moeilijk precies te bepalen. Hoe dan ook verschenen heel wat langere fictieverhalen en fictieve biografieën die zich duidelijk onderscheidden van andere vormen. Uit Frankrijk en Spanje kwam de populaire romance overgewaaid naar Engeland. Veelal beschouwd als een “vrouwelijke” vorm, werd het lezen van romances door vrouwen zelfs als een zonde veroordeeld. Een van de belangrijkste figuren van het genre is ongetwijfeld Aphra Behn. Zij was niet alleen de eerste vrouwelijke romanschrijver, maar ze slaagde er als een van de eersten ook in om van het schrijven haar beroep te maken.

Lijst van andere belangrijke literaire figuren uit deze periode:Samuel Pepys, Samuel Butler, Daniel Defoe, John Bunyan, Alexander Pope

Romantische periode (1780-1830)

Lord Byron
De schrijvers uit de laatste jaren van 18e eeuw en de eerste decennia van de 19e eeuw noemden zichzelf geen “romantici”. Het is pas veel later dat August Wilhelm von Schlegel in zijn lezingen te Wenen in 1808-1809 onderscheid zou maken tussen een aantal schrijvers uit de romantische beweging en hun classicistische opvolgers. De superioriteit van natuur en gevoel boven beschaving was in zekere zin al verkondigd door Jean Jacques Rousseau en zijn boodschap werd door de meeste Europese dichters opgepikt. De eersten in Engeland waren de Lake Poets, een groepje bevriende dichters waaronder William Wordsworth en Samuel Taylor Coleridge. De tweede generatie Romantische dichters omvatte Lord Byron, Percy Bysshe Shelley, Mary Shelley en John Keats. In deze periode schreef Jane Austen haar roman Pride and Predudice (1813) en ook William Blake wordt met zijn wat apart visionair werk gewoonlijk tot de Engelse Romantiek gerekend. Andere belangrijke figuren waren Sir Walter Scott en de dichters Thomas Moore en Thomas Lovell Beddoes. Een genre dat in de romantische periode veel succes kende was de gothic novel, zoals bijvoorbeeld Mary Shelley’s Frankenstein.

Hoogvictoriaanse literatuur (1830-1880)

Koningin Victoria

Het ‘Victoriaans tijdperk’ wordt al eens gebruikt om er de hele 19e eeuw mee aan te duiden. Voor Groot-Brittannië was het een periode van economische expansie en snelle veranderingen. Groot-Brittannië was een der eerste landen ter wereld waar de industrialisatie de maatschappij grondig veranderde. Gedurende de tijd dat koningin Victoria regeerde, zowat zestig jaar, werd de uitvinding van de stoomenergie toegepast op spoorwegen en scheepvaart, drukpersen en landbouwwerktuigen. Het optimisme over de technologische vernieuwingen had echter ook een schaduwzijde, want er heerste ook veel sociale onrust en de ‘victoriaanse waarden’ stonden in dit tijdperk van verandering onder druk. De nationale successen stonden in schril contrast met de uitbuiting van de lagere arbeidersklasse in het thuisland en die van de overzeese koloniën. De literatuur uit deze periode weerspiegelt deze contrasten en bekommernissen. Zo ontstond bijvoorbeeld de industrial novel, een genre van vroegvictoriaanse literatuur dat de moeilijke omstandigheden van het leven van de stedelijke arbeidersklasse tijdens de Industriële revolutie portretteert. Bekende voorbeelden van deze sociaal bewogen romans zijn Charles DickensHard Times en Elizabeth Gaskells North and South, beide uit 1854.

Charles Dickens

Rol van tijdschriften en dagbladen

De periode 1830-1880 is een bloeitijdperk voor periodiek verschijnende bladen. Wilkie Collins (uitgever van Dickens’ Household Words), merkte op dat hij in Het tijdperk van de dagbladen leefde. De dagbladen kregen een ongekende populariteit en wogen sterk door in de publieke opinievorming. De pers was een macht geworden om rekening mee te houden. Het gevolg was ook dat de zogenaamd lagere klassen gemakkelijker toegang kregen tot kennis die voorheen voorbehouden leek aan de rijkere bevolking. Weekbladen, dagbladen, maandbladen en goedkope romannetjes kenden een enorm succes en werden in grote oplagen verkocht. Bovendien was drukken door de modernere techniek veel goedkoper en sneller geworden. Charles Dickens speelde handig in op deze trend en liet sommige van zijn boeken als een serie verschijnen in zijn eigen tijdschriften.Het tijdschrift The Cornhill publiceerde ook Charlotte Brontës (onafgewerkte) roman Emma. Andere schrijvers die werden aangetrokken door dit medium waren onder meer Anthony Trollope, Elizabeth Gaskell, George Eliot en George Meredith. Dickens grootste rivaal was mogelijk William Makepeace Thackeray (1811-1863), die echter moest wachten op het succes van zijn roman Vanity Fair (1847) om soortgelijke erkenning te krijgen.

De roman als dominante literaire vorm

Elizabeth Gaskell

Het was tijdens de victoriaanse periode dat de roman het voortouw nam in de Engelse literatuur. De schrijvers richtten zich nu niet meer uitsluitend op de aristocratie maar vooral op de nieuwe klasse enthousiaste lezers uit de burgerij. Qua thematiek kregen de situatie op het platteland en de veranderende sociale en economische omstandigheden meer aandacht in de romans van Thomas Hardy, Elizabeth Gaskell en anderen. Victoriaanse romans waren vaak geïdealiseerde portretten van moeilijke levens, waarin hard werken, doorzettingsvermogen, liefde en geluk uiteindelijk de bovenhand halen; deugd werd beloond en onrechtvaardigheid werd gestraft. Vooral vroegvictoriaanse romans bevatten meestal een morele boodschap. Bekende romans uit deze periode zijn de emotioneel geladen boeken van de gezusters Brontë, het satirische Vanity Fair van William Makepeace Thackeray, de realistische verhalen van George Eliot, en Anthony Trollopes rake portretten van landeigenaars en beter gestelden. De populairste auteur van die periode was echter Charles Dickens. Zijn romans zoals The Pickwick Papers (1836) en Oliver Twist (1837-1839) verschenen aanvankelijk als feuilleton in een tijdschrift. Hij is vaak geprezen om zijn realisme, zijn beheersing van het proza​​, en om de onvergetelijke personages die hij schiep. Anderen, zoals Henry James en Virginia Woolf, bekritiseerden de sentimentaliteit en de onwaarschijnlijkheid van zijn verhalen. Hoe dan ook blijft Charles Dickens aan het begin van de 21e eeuw de meest gelezen schrijver uit de victoriaanse periode.

Poëzie
Elizabeth Barrett Browning,

De victoriaanse poëzie tot 1880 is grotendeels postromantiek, met veel aandacht voor het persoonlijke, het subjectieve, emotionele en idealistische. Vaak worden figuren uit de geschiedenis of legenden onderwerp van poëtische behandeling. Leidende dichters van hun generatie waren onder meer Alfred Tennyson (die Wordsworth als Poet Laureate opvolgde in 1850), Robert Browning en zijn vrouw Elizabeth Barrett Browning, Matthew Arnold, die zijn werk opvatte als een soort intellectuele autobiografie, de Prerafaëlitische kunstenaar en dichter Dante Gabriel Rossetti en zijn zuster Christina Rossetti (die mystieke gedichten schreef) en de door schandalen omgeven estheet en hedonist Algernon Charles Swinburne. Gerard Hopkins‘ religieus geïnspireerde poëzie stond vanwege de intensiteit en originaliteit op een bijzonder hoog niveau, maar kreeg pas veel later erkenning als evenwaardig aan die van de toen veel bekendere Tennyson of Browning.

Laatvictoriaanse tot moderne literatuur (1880-1930)

Fin de siècle en de periode tot 1914

Met de dood van Dickens kwam het Victoriaans tijdperk in de Engelse literatuur stilaan tot een eind. De uitdrukking fin de siècle omschrijft een algemeen gevoel dat er er een verandering op til was bij het naderen van de nieuwe eeuw. Zowel poëzie als proza speelde in op dit fin de siècle-gevoel en bood een wereld van verbeelding aan, een vlucht uit de realiteit.

Een werk dat van grote invloed zou blijken op kunstenaars en schrijvers uit deze periode is Walter Paters Studies in the History of the Renaissance. In de epiloog van dit werk maakte hij duidelijk dat zijn opvattingen als historisch relativist en scepticus lijnrecht ingingen tegen de zekerheden van het Victoriaans tijdperk. Vooral in de kunst vond hij verfijnde sensaties, vluchtige ogenblikken van extase weer, het enige dat volgens hem waard was om in een mensenleven na te streven. Zijn toentertijd eerder subversieve overtuigingen maakte hem de veelgelezen inspirator van esthetische schrijvers en dichters. Oscar Wilde citeert hem als belangrijke invloed, en ook Gerard Manley Hopkins (die hem als docent had) spreekt vol respect over hem. Sommigen zien Hopkins’ lyrische gevoelens tegenover God en de natuur als verwant met Paters overtuiging om elk moment intensief te beleven. Nog meer representatief voor de esthetische benadering van het leven, zoals geformuleerd door Pater, was het werk van de jonge William Butler Yeats. In de jaren 1890 maakte hij deel uit van een groep jonge dichters in Londen die zichzelf de Rhymers’ Club noemden, en die in hun poëzie het vluchtige moment nastreefden waar Pater het over had. Ook de gedichten van A. E. Housman, zoals de bundel A Shropshire Lad (1896), vertolkten dit fin de siècle-gevoel.

De twee opmerkelijkste Ierse tijdgenoten van Yeats waren Oscar Wilde (1854-1900) en George Bernard Shaw (1856-1950), de meesters van de geestige paradox. Samen leverden ze een aanzienlijke bijdrage aan het Engelse drama.

Henry James (1843-1916), was een van die andere buiten Engeland geboren ‘outsiders’ die een grote invloed hadden op de Engelstalige literatuur uit deze periode. Hij schreef heel andere romans die de gewone wereld met gewone mensen als onderwerp hadden. James focust zich in zijn romans op de avonturen van Amerikanen in Europa en vice versa zoals in The Europeans (1878), waarbij hij deze confrontatie voorstelt als een botsing tussen Europese ervaring en Amerikaanse onschuld, bijvoorbeeld in The Portrait of a Lady (1881). Andere outsiders waren de in de Oekraïne geboren Joseph Conrad (Heart of Darkness, 1889), en de uit India afkomstige Rudyard Kipling (The Jungle Book, 1894).

In de populaire literatuur kenden vooral avonturenromans, griezelromans en detectiveverhalen veel succes. Robert Louis Stevenson wierp zich op als verdediger van fictieve romans die hij superieur achtte tegenover de realistische romans die ‘het ware leven’ trachten te vatten. Hij schreef meesterlijke avonturenromans zoals Treasure island (1883) en The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde (1886). In de periode vanaf 1880 tot 1907 (met een laatste zaak in 1914) schreef Arthur Conan Doyle vier romans, maar hij werd vooral bekend door de reeks van 56 korte verhalen met speurneus Sherlock Holmes in de hoofdrol. Het grootste deel ervan laat hij vertellen door Holmes’ medewerker en biograaf, dr. John H. Watson.

Andere belangrijke literaire figuren uit deze periode zijn onder meer Thomas Hardy (Tess of the d’Urbervilles, 1891), Arnold Bennett (Old Wives’ Tale, 1908), H.G. Wells (The War of the Worlds, 1898).

Moderne literatuur na WO I

De beweging die nu bekendstaat onder de naam Engels literair modernisme ontstond uit een gevoel van onvrede met het victoriaanse conservatisme, dat objectieve waarheid en zekerheid claimde. Dat modernisme werd vooral beïnvloed door de ideeën van de Romantiek, de politieke geschriften van Karl Marx en de psychoanalytische theorie van het onbewuste van Sigmund Freud. Eveneens belangrijke invloeden voor modernistische schrijvers waren het impressionisme, en later het kubisme.

De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) bracht dramatische veranderingen teweeg in het leven en denken van de mensen uit die tijd, en dat liet ook zijn sporen na in de Engelse literatuur. Vooral in de poëzie, geschreven door jonge mannen aan het front, is dat duidelijk: Rupert Brooke (1887-1915) was zo een van de “war poets”. Hij stierf in de lente van 1915, maar kende postuum veel succes met zijn bundel sonnetten “1914”. Ook Wilfred Owen (1893-1918) werd als jonge officier gedood aan het front, een week voor wapenstilstand, en de gesneuvelde joodse soldaat Isaac Rosenberg (1890-1918) kreeg pas na zijn dood waardering voor de oorlogsgedichten die hij had geschreven.

“If I should die, think only this of me: That there’s some corner of a foreign field That is for ever England”
(Geschreven door Rupert Brooke, kort voor zijn dood in 1915) .

De jaren tussen 1910 en 1930 vormen een van de rijkste periodes in de Engelse literatuur, te vergelijken met het einde van de 16e eeuw of het begin van de 19e eeuw. De meest radicale continentale modernistische school was die van Filippo Marinetti, die Londen vaak bezocht en lezingen gaf over zijn ideeën. Hij wilde een radicale breuk met het verleden, zowel in beeldende kunst en muziek als in poëzie. Zo ver gingen de Engelse schrijvers niet, maar ze toonden zeker interesse in de futuristische theorie en praktijk. Getuige daarvan is het werk van Ezra Pound, Wyndham Lewis en D.H. Lawrence. De in Europa verblijvende Amerikaan Ezra Pound was van grote invloed op het stimuleren van vernieuwende schrijvers zoals James Joyce en T.S. Eliot. In deze periode schreef ook Virginia Woolf die in haar werk voluit experimenteerde met taal en structuur. In sommige van haar romans neemt ze afstand van plot en structuur en maakt ze gebruik van de stream of consciousness-techniek om de psychologische aspecten van haar personages te benadrukken. Een voorbeeld van deze techniek is haar korte verhaal The Mark on the Wall, dat samengesteld is uit een schijnbaar willekeurige reeks van herinneringen en impressies. Virginia Woolfs bekendste en succesrijkste roman is To the Lighthouse uit 1927.

Er bestond ook, zeker sinds de tijd van Dickens en Thackeray, een traditie van lichte, komische literatuur die hoofdzakelijk in tijdschriften verscheen. In de late negentiende en vroege twintigste eeuw werd de komische roman (comic novel) populair. Jerome K. Jeromes Three Men in a Boat uit 1889 is nu een klassieker in het genre. P.G. Wodehouse richtte met hilarische, maar ingetogen (tongue in cheek) geschreven boeken als My Man Jeeves uit 1919 zijn komisch talent op de Engelse upper-class met zijn maniertjes en gevoeligheden. Wodehouse was tevens een meesterlijk verteller en taalvirtuoos.

Andere bekende schrijvers van deze periode zijn W.H. Auden, Dylan Thomas, R.S. Thomas en Graham Greene.

20e-eeuwse literatuur na WO II

De Tweede Wereldoorlog had een grote impact op de hele maatschappij, en de literatuur van de naoorlogse jaren was getekend door een gevoel van fragmentatie, absurditeit en existentiële zinloosheid. Vaak wordt er verwezen naar het postmodernisme (met hoofdzakelijk Amerikaanse auteurs) om de houding en creatieve productie van na WO II, gekenmerkt door diversiteit en eclecticisme in alle kunstvormen, te beschrijven. Het belangrijkste thema van de literatuur blijft de menselijke conditie, met name de machteloosheid en de eenzaamheid van individu, verantwoordelijk voor zijn eigen lot. Een individu dat worstelt met zijn seksuele, nationale, raciale, spirituele en intellectuele identiteit, want helden zijn er niet meer.

Poëzie

Onder de meest toonaangevende dichters vanaf het midden van de 20e eeuw rekenen we de traditionalist John Betjeman, Philip Larkin, Ted Hughes en de Noord-Ierse katholiek Seamus Heaney. Philip Larkin (1922-1985) vestigde zijn reputatie als een van de beste Engelse dichters van de 20e eeuw met de verzamelbundel The Less Deceived (1955). Ted Hughes’ interesse in dieren blijkt uit The Hawk in the Rain, met gedichten over vogels en vissen. Later werd zijn poëzie rustiger en somberder van toon. Hij was de echtgenoot van Sylvia Plath, die zelfmoord pleegde in 1963. Sommigen verweten Hughes zelf verantwoordelijk te zijn voor haar dood en beriepen zich daarbij op haar intense, vaderhatende gedicht Daddy. Een andere grote naam uit deze periode is de uit Noord-Ierland afkomstige dichter Seamus Heaney, aan wie in 1997 de Nobelprijs voor literatuur werd toegewezen. Anthologieën met belangrijke Britse dichters nemen vaak ook poëzie op van Geoffrey Hill (Mercian Hymns, 1971), Tony Harrison (The School of Eloquence, 1978), Elizabeth Jennings (Collected Poems, 1967.) en D.J. Enright (The Laughing Hyena and Other Poems, 1953).

Fictie

Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal gepubliceerde romans aanzienlijk toe, en tegelijkertijd was er een enorme variatie in thematiek. In de twintiger jaren was er sprake geweest van een intellectualisering van de literatuur, onder invloed van schrijvers als T.S. Eliot, James Joyce en Virgina Woolf. Er werd onderscheid gemaakt tussen ‘ernstige boeken’ en populaire romans. Hedendaagse romanschrijvers laten nu echter de stem horen van alle sociale klassen, de stemmen van vrouwen, raciale en andere minderheden, en marginalen. Zo ontstonden verscheidene subgenres van romans die bestsellers werden, zoals magisch realistische romans, romans over academische, burger- en werkmansmilieus, vrouwenromans en realistische romans.

De werken van romanschrijver en essayist George Orwell worden beschouwd als belangrijke sociale en politieke commentaren van de 20e eeuw. Bekende romans van hem zijn Nineteen Eighty-Four en Animal Farm. Andere belangrijke romanschrijvers uit deze periode zijn de satiricus Evelyn Waugh, Henry Green, Anthony Powell, William Golding, Anthony Burgess, Kingsley Amis, V. S. Naipaul, Graham Greene en Iris Murdoch. Daarnaast verschijnen elk jaar talrijke romances, thrillers en historische romans. Zo oogstte Ian Fleming in het thrillergenre veel succes met zijn twaalf James Bond– avonturen. Het detectiveverhaal lijkt net als het spionageverhaal aan prestige te winnen en stilaan te worden erkend als belangrijke bijdrage aan de literatuur. Zo hebben bijvoorbeeld Agatha Christie’s verhalen over de rechercheurs Hercule Poirot en Miss Marple haar de titel ‘koningin van de misdaad’ bezorgd als een van de belangrijkste en meest innovatieve schrijvers van het detectivegenre.

Het aanbod Engelse romans is zoals gezegd enorm. In 1960 werden er bijvoorbeeld al meer dan 30.000 nieuwe romans gepubliceerd. Anthologieën over toonaangevende naoorlogse Britse romanschrijvers nemen, behalve van de al genoemde auteurs, vaak ook werk op van de volgende romanciers: Rebecca West, Jean Rhys, Arthur Koestler, Malcolm Lowry, Lawrence Durrell, Barbara Pym, Angus Wilson, Anthony Burgess, Olivia Manning, Muriel Spark, Joyce Cary, Doris Lessing, Paul Scott, Bryan Moore, Kingsley Amis, John Fowles, Malcolm Bradbury, David Lodge, A.S. Byatt, W. G. Sebald.

Een enorm bloeiende tak van de literatuur is de jeugdliteratuur, die sinds het begin van de twintigste eeuw met de Winnie the Pooh-verhalen van A.A. Milne een enorme vlucht heeft genomen. Enid Blyton (van ‘De Vijf‘) werd een van de populairste schrijvers van kinderboeken en Roald Dahl veroorzaakte een kleine revolutie in het genre door in boeken als The Twits ( 1980) en George’s Marvellous Medicine (1981) te tonen dat kinderen ook scherpe, gruwelijke kantjes konden hebben. J. R. R. Tolkien schiep zijn eigen mythologisch universum met boeken als The Lord of The Rings (1954-1955) en J. K. Rowlings Harry Potter-fantasyreeks werd in onze tijd een onvergelijkbaar kassucces.

Toneel

Tot de jaren 50 werden in het theater toneelstukken in standaard Engels opgevoerd, bedoeld voor een publiek uit de middenklasse. Weinig stukken draaiden eigenlijk rond sociale of andere problemen. Stilaan onderging de taal op het toneel een verandering, en er werd nu afgeweken van gestileerde en verheven taal zoals bijvoorbeeld in stukken van Oscar Wilde en T.S Eliot te beleven was. Het dialect deed zijn intrede op het toneel. Samuel Beckett en Harold Pinter beeldden gangsters, prostituees en werklozen uit en schuwden niet om de taal natuurlijker te laten overkomen door stiltes, aarzelingen en herhalingen in te lassen die eigen waren aan een ‘normale’ conversatie. De taal werd bewust onopgesmukt en ‘alledaags’ zodat de personages en hun sociale problematiek veel geloofwaardiger overkwamen.

Bij de toneelschrijvers werden de ‘room plays’ uit de naoorlogse jaren uitgedaagd door ‘The Angry Young Men’, zoals in het iconisch toneelstuk ‘Look Back in Anger’ van John Osborne. Eveneens uit de jaren 1950 dateert het sombere, absurdistische ‘Waiting for Godot‘ van de Ierse toneelschrijver Samuel Beckett, wiens stuk een grote invloed zou uitoefenen op het Britse drama. De dramatische kunst van het absurdisme beïnvloedde diepgaand het werk van latere toneelschrijvers in de laatste decaden van de 20ste eeuw. Zo worden Harold Pinters stukken vaak gekarakteriseerd door dreiging of claustrofobie. Ook in Tom Stoppards stukken is deze invloed aantoonbaar, maar zijn werk is evenzeer gekenmerkt door geestigheid en een brede interesse in intellectuele kwesties die hij in heel wat stukken op het voorplan schuift.

Jack Sels

 

Jack Sels painting by Jules Grandgagnage
Jack Sels, painting by Jules Grandgagnage

Jack Sels grew up in Antwerp. As a teenager he started collecting jazz records. Due to a substantial inheritance from his father his collection grew to about 10,000 records, but it was destroyed during a Second World War bombing. After first having studied piano he taught himself playing the tenor saxophone. To earn a living, he worked in an ice cream parlour in the Antwerp Hoogstraat (High Street) and spent much time listening to his jazz idols, among them the tenor saxophonist Lester Young, trumpeters Miles Davis and Dizzy Gillespie and alto saxophonist Charlie Parker. After the Second World War many American and Canadian soldiers arrived in the port of Antwerp and Jack Sels loved to talk to them and listen to the new records they brought with them from th e United States. It also enabled him to further expand his record collection.

The arrival of Dizzy Gillespie’s big band at Antwerp in 1948 made a lasting impression on Jack Sels and he decided to start his own big band for which he would also write the music. The band made an impressive debut with some of the best musicians of that time. On trumpet: Paul Heyndrickx, Charlie Knegtel, Theo Mertens, Herman and Nick Sandy Fissette; on trombone: Nat Peck, Frans Van Dijk, Jan Mertens and Christian Kellens; on Sax: Jay Cameron, Marcel Peeters, Gene Verstrepen, Bobby Jaspar and Roger Asselberghs plus Jean Warland on bass, Francis Coppieters on piano, John Ward on drums, Rudy Frankel on conga and Vilez Bill on bongo drum. But because of financial and other problems it was hard for him to hold such a big band together. In 1951, he formed a smaller band with 15 musicians, modelled after his idol Miles Davis, and later a still smaller group with which he toured in Germany. Back in Belgium, in 1954, he recorded six tracks in boogy style for Ronnex Records and performed on stage with Nat King Cole.

In 1955 he composed the soundtrack for the movie “Meeuwen Sterven in de Haven” (Seagulls Die in the Harbour) by Roland Verhavert. From 1958 on he worked on radio programs for the NIR, the later BRT radio, and on behalf of the Adult Education department of the Ministry of Culture, he toured through Flanders to promote jazz music. In 1958 he played with his group at the World Exhibition in Brussels. Although Jack Sels played with jazz legends like Dizzy Gillespie, Lester Young, Lou Bennett and Kenny Clarke, his fame did not spread worldwide because of his choice to stay in Antwerp. But even though he did not get an international breakthrough, he was always kept in great esteem by jazz connoisseurs and the musicians he played with.

The last three years of his life his health declined, making it very difficult for him to play. He suffered a heart attack in his Antwerp home and died on March 21, 1970.